In Marokko

In Marokko

ESSAOUIRA – Essaouira is een kleine stad aan de Atlantische Oceaan, ter hoogte van Marrakesj. Er wonen zeventigduizend mensen en tijdens het jaarlijkse muziekfestival – het gnawa-festival – komen daar nog eens vierhonderdduizend bezoekers bij. Er komen ook veel buitenlanders. Veel problemen levert het niet op, want het gnawa-festival staat bekend om zijn relaxte sfeer, de relaxte rasta-achtige attitude van de bezoekers, de gnawitude. Zelf logeerde ik in een klein, prachtig opgeknapt pension in een arme wijk van de oude medina, en daar liep in elk geval één Marokkaan rond die zich de gnawitude niet eigen had gemaakt en mij de halve nacht wakker hield met zijn geschreeuw. Ik had een kamer op de eerste verdieping en nooit eerder heb ik zo goed kunnen horen hoe in de smalle straatjes van de medina de stemmen door de muren weerkaatst worden. Op een gegeven moment ging ik mijn bed maar uit om beneden fotoboeken over Marokko door te bladeren. Even later voegden zich bij mij de conciërge en zijn vrouw, die evenmin konden slapen.

De jongen die ons wakker hield was een twintiger, die in zijn blote bast als een gekooide tijger in dezelfde drie straatjes heen en weer bleef lopen, het pension omsingelend. Tegen de muren van het pension schreeuwde hij homo! En hij lag nu zeker met die hoer te naaien! En wacht maar, hij zou ’m opwachten, hij wachtte ’m op, die vieze homo! Hij schreeuwde nog veel meer, maar dat was wat ik ervan kon verstaan. De conciërge, een vriendelijke man van een jaar of 35 die scheel keek en zo op het oog geen vlieg kwaad zou doen, legde mij uit dat die jongen hier vlakbij woonde en dat hij dit soort buien van tijd tot tijd had.

Toen de jongen ook met stenen begon te gooien, weliswaar niet tegen het pension maar tegen een dichtbijzijnde muur, het was binnen duidelijk hoorbaar, stond de conciërge in tweestrijd: moest hij nu naar buiten lopen om die jongen mores te leren, zodat gasten als ik tenminste konden slapen, of was het beter hem maar uit te laten razen? Op een gegeven moment stond hij met een stok in zijn hand op het punt de deur uit te gaan, en ik zei tegen hem dat hij dat niet voor mij moest doen, dat was ook beter voor zijn gezondheid, waarom wachtte hij niet tot morgen, tot die jongen zijn roes had uitgeslapen en er weer met hem te praten viel. Bovendien, als hij die jongen een pak slaag zou verkopen, wie weet belandde híj dan in de cel en zou hij zijn baan nog kwijtraken op de koop toe. Ook zijn vrouw praatte op hem in en zei dat die jongen het ze nooit zou vergeven als hij hem nu met die stok te lijf ging, dat ze dan last van hem zouden blijven hebben, dat hij zijn vrienden op zou trommelen, dat ze in de buurt toch al als verraders werden gezien omdat ze voor de Fransman werkten en dat dit het alleen maar erger zou maken. De conciërge zag de redelijkheid daarvan in en legde die stok weer weg, zij het met tegenzin.

De homo in kwestie bleek niet de conciërge maar de eigenaar van het pension te zijn, een veertigjarige Fransman, die het had aangelegd met het buurmeisje – op dit moment sliep dat buurmeisje bij hem, in zijn kamer ergens boven in het pension. Volgens de conciërge had dat meisje een soort verhouding gehad met die jongen, maar zag zij hem sinds de Fransman in haar leven was gekomen niet meer staan. Er zijn heel wat Fransen in Marokko die pensions zijn begonnen, vaak in de oude stad, dat wil zeggen in schilderachtige maar arme wijken waar de mensen denken zoals ze behoren te denken, en ik vroeg me af hoe vaak die Fransen zonder het te beseffen de zeden met voeten traden, want wat deze Fransman deed was hasjoema, schande, in alle openheid. Waarom, als hij dat meisje met wie hij niet getrouwd was graag bij zich wilde hebben, nam hij haar niet mee naar een hotel buiten de stad? Zo zouden Marokkanen dat doen, die verbergen dingen, om niemand voor het hoofd te stoten. Zo maakte de Fransman het niet alleen zichzelf en vooral dat meisje moeilijk, maar ook dat conciërge-echtpaar, dat in de ogen van de buurtbewoners voor een liederlijke, ja schandelijke figuur werkte. Ik begreep ook niet waarom dat meisje ermee instemde in dat pension bij hem te blijven slapen – misschien om hem niet te kwijt te raken. Als het een buurmeisje was, was het vermoedelijk geen rijk meisje, en was de Fransman haar kans op een beter leven. Maar vooralsnog maakte hij haar leven er niet gemakkelijker op.

De Fransman liet zich die nacht niet zien, en toen ik de volgende ochtend tegen hem zei dat er iemand erg boos op hem was keek hij heel verbaasd. Even later kwam hij erop terug en zei dat al dat geschreeuw niet hem betrof maar een ander. Misschien was hij bang voor zijn klandizie, dat ik zou rondbazuinen dat je beter niet naar dat pension kon gaan omdat je daar niet sliep omdat de eigenaar problemen had met buurtbewoners. Hij had zijn pension net geopend.