In Marokko

In Marokko

Toen ik nog niet zo lang in Marokko was, was ik een keer bij Abdelkarim thuis, en ik had dorst. Het was niet de eerste keer dat ik bij hem was, ik wist dat in de koelkast een fles water stond – Marokkanen houden er niet van water direct uit de kraan te drinken, ze noemen dat warm water. ‘Dit water is warm’, zeggen ze, en dat betekent dat ze het niet moeten, ze willen koud water. Ik dus naar de koelkast en ik pak die fles water, ik pak een glas en schenk mezelf in. Met dat glas loop ik terug naar de woonkamer.

Er zijn meer mensen aanwezig, een broer van Abdelkarim en een vriend van zijn broer, en Abdelkarim zegt tegen mij, hoofdschuddend om mijn onwetendheid, dat het beter is dat ik niet in de keuken kom, dat is het domein van de vrouwen; als ik wat nodig heb, moet ik het gewoon vragen.

Het is mijn gewoonte niet als ik ergens te gast ben zelf dingen te pakken, maar ik had nu juist het gevoel bij Abdelkarim niet te gast te zijn. Ik kwam er vaker, en de situatie was nogal informeel. We zouden die dag samen ergens heen, ik kwam hem ophalen, toevallig was zijn broer er ook, met die vriend. Abdelkarim zat met ze te praten, zijn vrouw was boven. Ik dacht: ik pak dat water zelf wel even, de keuken was op drie meter afstand. Op drie meter afstand, ja, maar verboden terrein voor mij, voor mannen.

Daar hoeven wij, mannen, verder niet rouwig om te zijn, want de hele buitenwereld behoort ons weer toe. Het publieke domein, de straat, is in Marokko het domein van de man. Het gaat te ver te zeggen dat vrouwen daar niks te zoeken hebben, maar hun domein is het zeer zeker niet. Integendeel, ze zijn er zo goed als vogelvrij. Zeker in de steden.

Met andere woorden, als een vrouw zich buitenshuis begeeft, alleen, omdat ze vindt dat dat moet kunnen, treft ze in ieder geval een hálve samenleving tegenover zich.

Van jongs af aan hangen Marokkaanse jongens op straat. Dat is gewoon. Meisjes van dezelfde leeftijd zijn thuis. Ze gaan naar school, maar behoren na schooltijd in een rechte lijn naar huis te lopen. Wat jongens na schooltijd doen, maakt niet uit.

Een favoriet tijdverdrijf is wat met vrienden kletsen op de hoek van een straat. Het is dan leuk om de meisjes die toevallig passeren, iets naar het hoofd te slingeren. Dat ze een lekkere kont hebben, waar ze naartoe gaan, dat ze mooi zijn, weet ik veel wat – Marokkanen zijn inventief, ze verzinnen van alles. Vaak ook lopen ze een stukje met zo’n meisje mee. Natuurlijk is het in zo’n groepje wel stoer om het een of ander naar zo’n meisje te roepen.

Jong geleerd, oud gedaan. Tot ver in hun leven blijven mannen vrouwen dingen toefluisteren, toeroepen, geluiden maken, blijven ze vrouwen volgen, met ze meelopen. Ze vinden dat gewoon. Vrouwen daarentegen ondergaan dit alomtegenwoordige en niet te vermijden gedrag als een ware kwelling. Negeren ze zo’n man, dan wordt hij doorgaans kwaad en is ze een hoer en ik weet niet wat. Er is geen vrouw in Marokko die geen last van mannen heeft, of heeft gehad. Ze hoeft daar ook helemaal niet mooi voor te zijn. Dat ze vrouw is, is genoeg.

Dit gedrag houdt in één keer op als de vrouw door een man begeleid wordt. Dat respecteren Marokkaanse mannen. Deze vrouw is van iemand. Daar blijf je af. Je wil ook geen ruzie met die man – en dat krijg je zeker als je iets tegen zijn vrouw zegt.

In het begin dacht ik dat het misschien iets met het klimaat te maken had. Dit was een warm land, een Afrikaans land, misschien was het daarom dat al die mannen mkboet waren, hitsig. Als Nederland door een hittegolf geplaagd wordt, zijn er experts die in kranten uitleggen dat de hormonen nu op hol zijn geslagen. Er was wat voor te zeggen dat Marokko acht maanden per jaar door een hittegolf werd geplaagd.

Nu denk ik er anders over. Iedereen heeft wel eens gelezen over primitieve stammen die op oorlogspad gaan, die dan een naburige stam aanvallen en alle mannen doodmaken en met de vrouwen terugkeren, als buit. Die vrouwen zijn in het vervolg van hen. De straat in Marokko lijkt een soort niemandsland tussen territoria – ik heb het vooral over de straat in de stad. Ziet een man een loslopende vrouw in dat niemandsland, dan ís ze van niemand. Dat zelfs snotneuzen de moed hebben tegenover vrouwen twee of drie keer zo oud als zijzelf een autoritaire toon aan te slaan, past hier wel bij.