In Marokko

In Marokko

MARRAKESJ – Anders dan Samira, met wie ik door de medina van Fes liep en die zich door een straatjochie de les liet lezen, laat Touria, verpleegster te Meknes, zich door niemand op de kop zitten. We bevinden ons op hét plein van Marokko, het wereldberoemde Djemaa el Fna met zijn verhalenvertellers, slangenbezweerders en andere kunstenvertoners. Zij bepalen nog steeds de sfeer, al heeft het plein een jaar geleden een gedaanteverandering ondergaan, is het om zo te zeggen aangeharkt: het is betegeld, de sinaasappelsapverkopers in hun halve koetsjes hebben een vaste plaats toegewezen gekregen en staan keurig in het gelid, en er zijn openluchtrestaurants gekomen.

Marrakesj is een stad in opmars. Volgens de Zweed Björn Conerding’s is Marrakesj de afgelopen

tien jaar «honderd procent» veranderd, maar dat lijkt mij overdreven. De vijftigjarige architect is eigenaar van het bijna driehonderd jaar oude Riad Enija, een maison d’hôte en een van de mooiste riads van de oude stad. Volgens hemzelf is het ook een van de weinige «echte riads», het is daadwerkelijk een «huis met een tuin», een binnentuin, een kleine jungle met torenhoge planten. Conerding’s belandde hier vijftien jaar geleden om samen met andere architecten de eeuwenoude minaret van de Koutoubia, de beroemdste moskee van Marrakesj, te restaureren, hij werkte toen voor Unesco. Hij is gebleven en voor zichzelf begonnen en heeft inmiddels zo’n dertig riads gerenoveerd – grote, stijlvolle huizen, gebouwd rondom een patio, doorgaans twee verdiepingen hoog, met dakterras. Het zijn buitenlanders, voornamelijk Fransen, die de afgelopen jaren zo gretig op zoek waren naar riads, en die Conerding’s al dat werk verschaft hebben.

Maar ik liep dus met Touria over het Djemaa el Fna en we bleven stilstaan bij een kleine, tanige man die op deze koude avond naakt was op zijn boxershort na en die bezig was met een kungfu-demonstratie à la Jackie Chan, tenminste, hij maakte zich behoorlijk druk met allerlei sla- en schopbewegingen en riep daar zelf een paar keer «Jackie Chan» bij. Daar moesten de mensen, alleen Marokkanen, wel om lachen, waarop het kleine mannetje de omstanders dichterbij begon te manen, hij ging de kring langs en trok de mensen letterlijk naar zich toe. Hij kreeg ons in het oog, Touria en de nsrani, de buitenlander, en misschien hield hij Touria ook wel voor een buitenlandse, want ze heeft een beetje een Japans gezicht.

Ook wij moesten dichterbij komen, hij trok ons beiden aan de arm, dichterbij, dichterbij, en toen we dat deden knikte hij en keerde ons de rug toe en liep naar zijn plek in het midden van de kring om zijn act te vervolgen, niet echter zonder hardop «pooiers» te zeggen, waarop sommigen in de kring weer begonnen te lachen, ha ha ha, die buitenlanders, pooiers. Ik verstond het uiteraard niet. Touria wel en zonder zich te bedenken stapte ze twee passen naar voren, de kring binnen, en vroeg waarom hij ons pooiers noemde. Dacht hij dat wij dat niet konden verstaan? Dat hij op deze laffe manier grappig was, ten koste van ons? Wie was hier nou de pooier? Hij moest zich schamen. Ik zag wel dat Touria hem bestraffend toesprak en ik zag ook dat Jackie Chan naar haar luisterde en ik voelde bewondering voor Touria, die zomaar even die kring van zeker honderd omstanders binnenstapte om dat mannetje van repliek te dienen. Hij zei niets terug en toen ze klaar met hem was draaide ze zich om en trok mij met zich mee, weg van hier, en toen zei het mannetje nog een keer «pooiers».

Touria hoorde het en kon het niet laten zich weer om te draaien, die paar passen terug te keren en de kring weer binnen te stappen, en te vragen of hij soms geen eergevoel had, was hij nou een man dat hij haar zoiets niet eens recht in het gezicht durfde te zeggen, en misschien moest hij eens naar zichzelf kijken, naar hoe hij eruitzag, hij was zo klein, dan ook nog zonder kleren, als de mensen lachten dan lachten ze niet omdat hij Jackie Chan zo leuk nadeed of ons pooiers noemde maar omdat hij in niets van een aap verschilde, ja dan lachten ze hem uit. Het mannetje bleef stil en Touria draaide zich weer om en trok mij weer mee, weg van die kring. Weer voelde ik bewondering voor haar. Beter, dacht ik op datzelfde moment, zou het voor de omstanders die avond niet worden, voor mij zeker niet.

Maar dat mannetje zei misschien ook iets over Marrakesj, met zijn steeds grotere toestroom van rijke buitenlanders. Volgende week verder.