In Marokko

In Marokko

De bloemenbezorger kwam langs. Niet bij mij thuis, want waarom zou ik bij mij thuis bloemen laten bezorgen, maar op het Nimar, het Nederlands Instituut Marokko, gevestigd in Rabat en sinds vorig jaar zomer open. Directeur Paolo De Mas had met de bloemist al een tijdlang de afspraak lopen iedere week drie grote boeketten te bezorgen, maar juist vorige week was hij naar de bloemist getogen om te zeggen dat het niet meer hoefde. Als hij bloemen nodig had, zou hij zelf wel langskomen. Tegen mij zei hij: ‘Het zijn ook telkens van die begrafenisboeketten.’

Zoiets is een Marokkaanse bloemist moeilijk uit te leggen. Smaken verschillen, en daarbij: in Marokko legt men geen bloemen op een graf. De boodschap was bij de bloemist blijkbaar niet overgekomen. Want nu stond er een jongen van een jaar of twintig voor de deur met drie grote begrafenisboeketten in zijn armen. Ik was aanwezig op het Instituut, soms ga ik erheen om er een paar uur rustig te werken. Paolo De Mas was de deur uit, maar ik wist van die bloemenregeling en ik zei tegen die jongen: ‘We hebben gezegd dat we geen bloemen meer willen. Als we ze nodig hebben, komen we zelf langs om ze te halen.’ De jongen keek sip en ik weet niet of hij mij goed begreep, maar hij vertrok zonder te protesteren. Ik vond het zielig hem met al die bloemen weg te sturen, vooral omdat hij zo vriendelijk en gedienstig bleef.

Een uur later stond een man van een jaar of vijftig voor de deur, die zei dat hij de bloemist was. Hij droeg inderdaad het bruin soort colbert dat bloemisten plegen te dragen en vroeg of er een probleem was met zijn zoon die de bloemen was komen brengen. Even begreep ik het niet goed. Een probleem met zijn zoon? Nee, er was geen probleem met zijn zoon. Maar hadden we niet afgesproken dat we de bloemen in het vervolg zelf kwamen halen? Om voor die drastische afzegging wat meer begrip te kweken, deed ik de deur verder open, stapte opzij en zei: kijk, het instituut is nu leeg, we hebben nu geen bloemen nodig. De bloemist wierp vanaf de drempel een blik in de lege ruimte, de lege hal met aan weerszijden daarvan de twee lege werkruimtes, en de lege patio in het verlengde van de hal. Het was in één oogopslag duidelijk dat hier niemand rondliep. Hij knikte begrijpend en zei: ah, vakantie! Met twee handen drukte hij mijn hand, bedankte me en vertrok. Hij had dezelfde soort gedienstigheid als zijn zoon. Het zal iets met armoede te maken hebben.

Toen Paolo terugkwam zei ik tegen hem: ik heb die jongen die bloemen kwam brengen weer weggestuurd, en Paolo zei: goed zo. Ik vertelde dat zijn vader daarna was langsgekomen om te informeren of zijn zoon iets niet goed had gedaan. ‘Hij vroeg zich niet af of er misschien iets mis was met zijn bloemen.’ In Nederland zou dát de eerste vraag zijn geweest.

‘Maar dit is Marokko’, zei Paolo, die ervan houdt Marokko uit te leggen, ‘hier is alles persoonlijk.’

Zo zaten we nog even door te kletsen over Marokko en de Marokkanen.

’s Avonds legde ik een en ander aan Touria voor. Duidelijk was dat de bloemist niet had begrepen dat we zijn boeketten niet meer wilden hebben. Misschien had Paolo niet bij hemzelf afgezegd maar bij een jongen die daar werkte en die weinig Frans sprak. Nu, na zijn bezoek aan het Instituut, dacht de bloemist dat het iets met de schoolvakantie van deze week te maken had. Maar waarom vertrouwde hij zijn zoon niet? Waarom dacht hij dat die iets fout had gedaan? Waarom bedacht hij niet dat wij zijn boeketten misschien niet mooi vonden?

‘Hoe kan hij dat weten?’ zei Touria. ‘Dat hebben jullie hem toch niet gezegd? Vakantie, dat begrijpt hij. Als er niemand is, heb je geen bloemen nodig. Maar hoe kan hij weten dat jullie zijn bloemen niet mooi vinden als hij jullie iedere week zijn duurste bloemen geeft?’

Touria opperde dat die zoon dat misschien niet vaak deed, bloemen wegbrengen. Dat zijn vader daarom dacht dat hij iets doms had gedaan, of gezegd. ‘Misschien denkt zijn vader wel dat hij iets heeft proberen te stelen, dat jullie hem daarom weer weggestuurd hebben.’ Maar het Instituut was een goede klant, zei ze, iedere week drie grote boeketten. ‘Ik denk dat-ie volgende week weer met bloemen voor de deur zal staan.’