In Marokko

In Marokko

Ergens in Murder in Amsterdam spreekt auteur Ian Buruma met de Nederlands-Marokkaanse psychiater Bellari Said. Die stelt vast dat schizofrenie tien keer zoveel voorkomt onder Nederlandse Marokkanen van de tweede generatie dan onder Nederlanders met een vergelijkbare economische achtergrond. Hij meent dat deze Nederlandse Marokkanen hun religie hard nodig hebben als ‘stabiliserende factor’. Letterlijk zegt de psychiater: ‘It will help people integrate better, make them more altruistic, keep them on the right path.’

Het is een interessante visie, temeer daar ze regelrecht indruist tegen de huidige tijdgeest van integreren zonder behoud van identiteit. Sinds een paar jaar betekent integreren aanpassen, weg met de eigen cultuur, Nederlander worden. De islam is, zou je kunnen zeggen, ‘gedemoniseerd’. De afkeer van de hoofddoek en de angst voor moslimterrorisme zeggen voldoende.

Psychiater Bellari Said krijgt steun uit de hoek van de antropologie. Karin van Nieuwkerk, cultureel antropoloog verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, woonde in Rotterdam 36 ‘religieuze lessen’ voor Marokkaanse vrouwen bij. Ze beschrijft in de recent verschenen bundel Uit en thuis in Marokko, die hier vorige week ook aan bod kwam, vrij uitgebreid wat deze vrouwen wordt geleerd. Interessante lectuur voor wie wil weten wat Marokkaanse vrouwen die de islam serieus nemen nu eigenlijk bezighoudt. Maar haar conclusie is even interessant. Als Van Nieuwkerk met twee docentes haar analyse van de lesinhoud bespreekt, zeggen deze vrouwen dat ze te veel nadruk legt op de religieuze kant van de zaak. Ze moest niet denken dat het de bedoeling is dat ‘je de hele dag thuis gaat bidden en de koran zit te lezen’. Integendeel, ‘je dient je juist maatschappelijk nuttig te maken’. De antropologe schrijft: ‘Naast de ibadat, het vervullen van de religieuze verplichtingen, zijn de moe’amalat van belang, de omgang met de medemens en de bijdrage aan het maatschappelijk leven.’ Van Nieuwkerk concludeert dan ook: ‘Deze studie van de religieuze lessen laat zien dat het streven naar toenemende islamisering van het dagelijks leven niet verward moet worden met radicalisering en verwerping van de Nederlandse maatschappij.’

Dat is precies de conclusie van de bijdrage in dezelfde bundel van Edien Bartels en Martijn de Koning, ook allebei cultureel antropoloog. Uitgangspunt van hun stuk is een alweer tien jaar oude foto, die ook in het boek staat, van twee Nederlandse ‘moslimmeiden’ die na het behalen van hun eindexamen in de minaret van een Goudse moskee klimmen om daar hun schooltas in te hangen – een Nederlandse traditie, al hangen autochtone Nederlanders ’m doorgaans niet aan de kerktoren maar aan een vlaggenstok.

Voor cultureel antropologen is een dergelijke foto een mer à boire. Ze struikelen bijna over de vragen die erdoor worden opgeroepen. Hoe komen die meiden, die allebei een hoofddoek dragen, erbij hun schooltas in een minaret te hangen? Wat heeft een moskee met school te maken? Waarom hebben ze, van Marokkaanse afkomst tenslotte, die Nederlandse traditie overgenomen? En wat betekent dat? Je ziet die antropologen zich in hun handen wrijven: daar valt een wereld te ontdekken.

De meisjes blijken te hebben deelgenomen aan een huiswerkbegeleidingsproject in moskee An-Nour in Gouda. Ze voelden zich er thuis, het was hun ‘eigen’ wereld. Overigens zijn niet alle meisjes die er komen even serieus. Sommigen komen er vooral om te kletsen. Interessant is dat juist de meest gelovige meisjes, die een hoofddoek dragen en hun best doen zich aan de regels van de koran te houden, ook het meest ambitieus blijken te zijn: zij willen leren en presteren in de Nederlandse maatschappij. ‘In hun identiteitsbeleving’, schrijven de antropologen, ‘staat moslim-zijn centraal en als moslim zoeken ze hun eigen weg in de Nederlandse samenleving.’ Dat het voor meisjes niet gepast zou zijn om naar school te gaan, een idee dat vroeger binnen de Marokkaanse gemeenschap leefde, lijkt inmiddels geheel verlaten. De serieuze meisjes zeggen zelf dat dergelijke ideeën niet tot ‘de ware islam’ behoren maar tot de culturele tradities uit het herkomstland van hun ouders.

Dat soort uitspraken komt neer op een strategisch gebruik van de islam door die meisjes – en ook dat is interessant. Zij gebruiken hun godsdienst onder andere om scholing en bewegingsvrijheid op te eisen, ze zeggen hun geloof te willen volgen, niet de culturele gebruiken.

Dit soort inzichten zou de Nederlandse islamfobie ietwat kunnen temperen.

De auteurs schrijven dat het huiswerkbegeleidingsproject inmiddels is overgenomen door de jeugdhulpverlening. De vraag is of er nog steeds goede resultaten worden behaald, of dat het in de moskee eigenlijk beter ging. Komen die serieuze moslimmeisjes überhaupt nog?