In Marokko

In Marokko

Zal Marokko over een paar jaar de Islamitische Republiek Marokko heten? Dat gevoel krijg je als je Quand le Maroc sera islamiste leest, een boek dat eind vorig jaar uitkwam. In Marokko zelf is het niet te koop, de inhoud is het regime niet welgevallig. Ik kocht het op het vliegveld van Parijs. Het is geschreven door de goed in Marokko ingevoerde Franse journalisten Nicolas Beau en Catherine Graciet, leest vlot, is up to date, en misschien wat eenzijdig maar daardoor des te spannender, ook al omdat de auteurs hun citaten goed kiezen. Zo laten ze de chef van een Franse antiterrorismedienst zeggen: ‘Wat het islamisme betreft, van Tunesië hebben we niks te vrezen (…). Algerije is het ook gelukt het abces door te prikken, zij het tegen een hoge prijs, 150.000 doden. Maar de problemen daar zijn verleden tijd. In Marokko is de situatie verreweg het meest onrustbarend. Ik begrijp al die Fransen niet die een riaad in Marrakesj kopen, ik zou het zelf niet doen. Dan zeggen ze: maar de Marokkanen zijn zo aardig! Dat is waar, ze zijn aardig, maar de situatie is gevaarlijk.’ Het Marokko van nu, besluit de politiechef, ‘is het Rusland van 1916.’

In kort bestek hieronder de pessimistische visie van Beau en Graciet, die zeer serieus moet worden genomen. Maar dat wil toch niet zeggen dat een andere, minder zorgelijke kijk op de toekomst van Marokko, even steekhoudend, niet ook mogelijk is. Die komt volgende week aan bod.

In hun inleiding herinneren Beau en Graciet aan alle optimisme uit de tijd dat de jonge koning Mohammed VI de troon besteeg, nog maar zeven jaar geleden. Wat, vragen ze zich af, is van dat optimisme nog over? Marokko, dat durfde te experimenteren met democratie en persvrijheid, gold als het meest verlichte Arabische land. Het was in de jaren negentig, toen radicale islamisten buurland Algerije in een bloedbad veranderden, een bastion van rust en vrede gebleven. Marokko werd gezien als een fort tegen het oprukkende fundamentalisme. Welnu, zeggen de auteurs, dat imago is inmiddels aan diggelen, na de aanslagen in Casablanca (2003) en Madrid (2004, daders: Marokkanen) en, kan ik eraan toevoegen, na de meest recente, mislukte aanslag in opnieuw Casablanca (2007).

De auteurs constateren dat het huidige Marokko bevangen lijkt door een religieuze koorts – net als het Algerije van 1991. Drie tekenen die daarop wijzen.

Eén. Als de Marokkanen morgen naar de stembus moesten, in plaats van straks in september, dan, zo gaf een betrouwbare opiniepeiling in 2006 aan, behaalde de weliswaar door het systeem ingekapselde maar niettemin openlijk en onmiskenbaar islamistische Parti de la Justice et du Développement (pjd) een absolute meerderheid.

Twee. De grote populariteit van de verboden maar wijdvertakte beweging Rechtvaardigheid en Zorg van de oude sjeik Yassine, die veel radicaler is dan de pjd en veel vijandiger jegens het koningshuis. Met op z’n minst tienduizenden militanten, en vermoedelijk enige honderdduizenden sympathisanten, heeft de beweging van Yassine zich diep in de maatschappij genesteld. Men is vooral daar aanwezig waar de staat het laat afweten, de gigantische sloppenwijken rondom de grote steden zijn het meest schrijnende voorbeeld. De beweging mag niet meedoen aan de verkiezingen, en woordvoerders leggen uit dat men dat ook helemaal niet wil. Laat de pjd zijn vingers maar branden aan het verrotte politieke systeem, denkt men in kringen van de oude sjeik, dat kan ons alleen maar ten goede komen. Men wacht op het moment dat de burger inziet dat onder dit verlicht despotische koningshuis aan zijn ellende nooit een einde zal komen. De beweging van de sjeik is dan de enige, zo redeneert men, die een dergelijke spontane volksopstand, ja revolutie, kan leiden, want de enige met nog schone handen. Men zal dan niet talmen de islamitische republiek uit te roepen.

Drie. Kleiner van omvang maar gevaarlijker: het radicaal-islamistische, gewelddadige gedachtegoed dat bezig is zich in de maatschappij te verspreiden. Men rolt hier regelmatig terroristennetwerkjes op, maar dat van vorig jaar juli bestond uit maar liefst 52 man. Een tiental was werkzaam bij leger en politie. Zelfs twee echtgenotes van piloten van Royal Air Maroc leken betrokken. Wees dat erop dat de jihadisten nu ook in de betere wijken van de grotere steden begonnen te ronselen, en niet meer alleen in de bidonvilles? Het regime werd in elk geval zenuwachtig. Er volgde een grootscheepse reorganisatie van de inlichtingen- en politiediensten, en twee topmannen werden vervangen.

En wat ligt aan die religieuze koorts in het algemeen, en aan het terrorisme in het bijzonder, ten grondslag? Volgens Beau en Graciet, hier enigszins versimpeld weergegeven: de schipbreuk van een maatschappij. De helft van de bevolking die onder de armoedegrens leeft. Een kleine kliek die zich schaamteloos verrijkt. De alomtegenwoordige corruptie, de werkloosheid, de economie die in het slop zit, het onderwijs dat faalt.