In Marokko

In Marokko

Omdat ik hier vaker dan in Nederland word geconfronteerd met grote verschillen tussen arm en rijk, denk ik daar soms over na. Maar veel levert dat nadenken niet op. Ik denk: Marokko is nog een feodale maatschappij, geregeerd door een elite die de massa eronder houdt en besteelt, en voorlopig pikt het volk dat nog. Veel verder kom ik niet.

Voor mij is het niet normaal dat iedereen het gewoon vindt dat de gardien die onze straat bewaakt, Mustafa, in een sloppenwijk aan de rand van Rabat woont. Nou ja, woont. Meestal is hij hier in de straat. Hij heeft een klein huisje voor zichzelf getimmerd, waar hij dubbelgevouwen in kan slapen. Er is wel een collega die hem aflost, maar als die op familiebezoek gaat, ergens ver weg in een dorp, is Mustafa er dag en nacht.

Hoeveel verdient Mustafa? Van mij krijgt hij tweehonderd dirham per maand (twintig euro). Daarvan geeft hij een deel aan zijn collega. Alle huizenbezitters geven iets. Meer dan tweeduizend dirham per maand zal Mustafa niet hebben, eerder minder. Denk nu niet te snel: maar Marokko is heel goedkoop! Ook hier is tweehonderd euro niet veel geld.

Vandaar dat Mustafa altijd meer geld van mij wil hebben. Soms klaag ik daarover tegen mijn huisbaas, een arts, en die kijkt mij dan bevreemd aan, hoe kan ik nou met iemand als Mustafa een conflict hebben? Alsof Mustafa een soort spin is of zo, waarover je je toch ook niet opwindt.

In werkelijkheid is Mustafa een jaar of veertig en lelijk als de nacht, heeft zwarte tanden en wat je noemt een geslepen blik. Hij is de vader van vijf kinderen. Als gardien is hij goed. Zwervers worden door hem met een stok nagejaagd. Als kleine kinderen vluchten ze voor hem weg.

In mijn straat is het betaald parkeren en Mustafa regelt dat voor mij. Daarvoor betaal ik hem nog eens honderd dirham. De afspraak is dat hij – bij controle – snel een ticket uit de automaat haalt en dat achter het raampje van mijn auto plakt, dat ik dan ook altijd open laat staan. Een ticket kost minimaal twee dirham. Dat is voor twee uur parkeren.

Mustafa houdt er niet van om tickets te kopen. Die honderd dirham betaal ik hem sowieso, die heeft hij in zijn zak. Iedere keer als er controle is, kost het hém dus twee dirham. Maandenlang was er nauwelijks controle. Maar de laatste weken komen de controleurs vaker langs. Daarover klaagt Mustafa. Hij zegt: ik moet iedere dag tickets kopen, je moet meer geld geven!

Mijn huisbaas zegt: je moet erg duidelijk zijn met dat soort mensen. Hij bedoelt: met arme mensen, mensen uit de bidonvilles voor wie twee dirham veel geld is. Dus zeg ik tegen Mustafa: of ik koop een vergunning voor honderd dirham per maand, of ik geef jou die honderd dirham, maar dan wil ik verder geen gezeur. Aan jou de keus. Mustafa kiest voor de honderd dirham.

Is dit duidelijk? Misschien nog niet zo duidelijk als mijn huisbaas zelf is, die Mustafa niet eens aankijkt als hij thuiskomt. Ik maak nog de fout met Mustafa dit soort relaties aan te gaan. Ik zeg hem ook altijd gedag. Misschien is dat toch niet duidelijk genoeg voor ‘dat soort mensen’, die dan gaan denken dat ze je kunnen bestelen.

Mustafa trekt hooguit tien tickets per maand uit de automaat, dus van die honderd dirham houdt hij genoeg over. Maar hij blijft zeuren – misschien wil dat soort mensen altijd het onderste uit de kan – en nu wil hij zelfs mijn autosleutel hebben, zogenaamd omdat de controleurs het niet meer goedvinden dat hij de tickets achter het raampje plakt. Ze moeten op het dashboard liggen. Zuchtend geef ik Mustafa mijn sleutel.

De volgende dag tref ik mijn auto op een andere plaats aan, vijf meter verderop, voor de uitrit van de garage van mijn huisbaas. Ik vraag Mustafa waarom mijn auto daar staat. Het blijkt dat je daar niet hoeft te betalen: de controleur ziet die plek als behorend bij de uitrit. Even kijk ik Mustafa verbluft aan. Dus om twee dirham voor een ticket uit te sparen heeft hij mijn auto verplaatst. Zonder het mij te vragen is hij in mijn auto gaan rijden, al is het maar een paar meter. Hij zou het bij mijn huisbaas niet in zijn hoofd hebben gehaald. Tegenover mijn huisbaas kent Mustafa zijn plaats, omdat die, net als alle andere huizenbezitters in de straat, hem die plaats duidelijk maakt.

Ik vraag de gardien mijn sleutel terug en zeg hem dat ik morgen een vergunning koop.