In Marokko

In Marokko

Al vindt mijn vrouw Touria het niet leuk – want welk beeld schets ik van haar Marokko? – het moe t nog een keer over een schoenpoetser gaan, en wel over Si Mohammed, de schoenpoetser van het magistrale terras van Hotel Balima. Dat terras bevindt zich in het hart van Rabat, aan Boulevard Mohammed V, recht tegenover het parlement. Het is er altijd druk. Er zitten parlementariërs, zakenmensen, westerse toeristen, journalisten, het is een ontmoetingspunt, dit is de plek waar de steedse bourgeoisie elkaar treft, bijpraat. Het is ook een familieterras: diezelfde bourgeoisie neemt er haar kinderen mee naartoe. Misschien dat de sfeer er daarom ontspannen blijft, pretentieloos.

Toen ik nog niet zo lang hier was, vond ik het raar dat mensen dat woord bourgeoisie nog gebruikten. Was dat niet iets van het verleden? Inmiddels gebruik ik het zelf ook. Er is die klasse die het beter of veel beter heeft dan de overgrote meerderheid – zoals mijn huisbaas, de medisch specialist die, hoe vriendelijk hij ook is, iets oerburgerlijks en conservatiefs uitstraalt, het soort mens dat de dingen graag houdt zoals ze zijn, gewoon, omdat het toch goed gaat zo? Een apolitiek conservatisme. In Marokko heeft die houding iets schrijnends, omdat de overgrote meerderheid waarvan ik sprak nog maar zo heel weinig heeft. Daarom is dat verouderde, feodale, truttige woord bourgeoisie in dit land wel op zijn plaats.

Op het terras van Hotel Balima laat die bourgeoisie haar schoenen poetsen, door Si Mohammed – net als ik. Si Mohammed loopt tegen de zestig, en ik vroeg een keer aan hem, terwijl hij op zijn kistje aan mijn voeten zat, hoeveel kinderen hij had. Het waren er vijf, jongens, inmiddels volwassen. Woonden zij ook in Rabat? Si Mohammed zei dat ze nog bij hem thuis woonden. Hadden ze dan geen werk? Hij schudde van nee, en er kwam iets verontschuldigends in zijn houding.

Loog Si Mohammed tegen mij, deed hij zich zielig voor, in de hoop dat ik dan meer zou geven? Het is niet onmogelijk. Maar ik denk liever dat hij de waarheid zei. Vijf werkloze kinderen. Ze zullen af en toe heus een baantje hebben, maar vaker niet dan wel, en veel zal het nooit betalen.

Ik gaf hem twintig dirham, twee euro – en ik hou dat erin. Eens per week laat ik mijn schoenen door Si Mohammed poetsen, en geef ik hem zes keer het normale tarief (drie dirham). Omdat ik denk dat hij het goed kan gebruiken. Hij is er iedere keer erg blij mee.

Si Mohammed, in zijn eeuwige blauwe stofjas, met altijd dat kistje in zijn hand, leerde ik kennen toen hij nog tanden had. Het waren er niet veel. Omdat hij zijn mond altijd iets open liet hangen, zag je vooral de hoektanden in zijn onderkaak – hij deed mij altijd aan een verbaasde makaak denken, wat misschien ook met zijn grote, vierkante, zwartgerande bril te maken had. Toen liet hij zijn tanden trekken, liep een paar weken tandeloos rond, en nu heeft hij een kunstgebit. Het was wennen aan zo’n mond plots vol grote witte tanden – ook voor Si Mohammed – maar het is wel een verbetering.

Ook zo’n kunstgebit moet bij elkaar gepoetst worden. Vandaar dat Si Mohammed zijn terras met hand en tand verdedigt. Het is een eldorado, een toplocatie. Dus liggen kapers op de loer. Ze wachten tot Si Mohammed uit het zicht is – hij moet ook wel eens naar het toilet, van Hotel Balima – en stropen dan de tafeltjes af. Si Mohammed heeft altijd een stok binnen handbereik. Hij gebruikt die ook om de bedelaars te verjagen.

De bezoekers varen er wel bij. Het terras is ook daarom zo prettig omdat je er vrijwel ongestoord kunt zitten. Si Mohammed, al is hij de jongste niet meer, houdt toch iedereen weg. Op andere terrassen word je gek van het gezeur aan je kop, de ene schoenpoetser is nog niet verdwenen of de volgende dient zich aan, en ook bedelaars, een onophoudelijke stroom, kunnen hardnekkig zijn. Er zijn terrassen die ik ben gaan mijden, ook wel omdat je als westerling drie keer zo veel moeite moet doen om iemand af te wimpelen.

Op het grote terras van Hotel Balima lopen vier obers rond, en zij helpen Si Mohammed, steunen hem in zijn strijd het terras vrij van overlast te houden. In ruil daarvoor neemt Si Mohammed hen weer kleine klusjes uit handen, bijvoorbeeld het opzetten van de parasols.

Als Si Mohammed per dag honderd dirham verdient, beschikt hij over een voor Marokkaanse begrippen modaal salaris. Daarom schrijf ik over hem: hij is de enige niet die in de jungle moet overleven. Volgende week over degenen die ver boven modaal zitten, en hoe het daar werkt.