In Marokko

In Marokko

Voor de negende keer dit jaar was er L’Boulevard, het muziekfestival van Casablanca dat een zekere naam heeft opgebouwd. Vorig jaar hoorde ik ervan toen het net voorbij was, dit jaar was ik alerter. Het duurt een dag of vier en op zaterdagavond reed ik erheen samen met arabist Jan Hoogland, die het festival ook nog nooit had bezocht.

Eigenlijk wilden we de rappers zien, of eigenlijk horen, omdat die onder de Marokkaanse jeugd erg populair zijn. Ze worden door sommigen bovendien beschouwd als een soort voorvechters van het Marokkaans-Arabisch, een taal die, hoewel door de meeste Marokkanen gesproken, nog altijd te boek staat als dialect, een boerse deviant van het Standaard Arabisch, dat wél als een echte taal wordt beschouwd.

Marokko is een land met vele gezichten, met vele talen ook – wat tot absurde situaties kan leiden. Docenten bijvoorbeeld worden nationaal geworven en dan vaak naar afgelegen plekken gestuurd, bijvoorbeeld naar een dorp in de Midden-Atlas, waar een berbertaal wordt gesproken. Daar zitten ze dan, tussen kinderen met wie ze eigenlijk niet kunnen praten. Ze worden geacht les te geven in het Standaard Arabisch, dat hier niemands moedertaal is, en al helemaal niet de moedertaal van die kinderen in dat berberdorp. Zelf spreken die docenten, omdat ze bijvoorbeeld uit Rabat afkomstig zijn, Marokkaans-Arabisch, en Frans. Om de kinderen ook een paar uur per week iets te vertellen over hun eigen taal, die berbertaal, moeten ze die eerst zelf leren. Dit soort krankzinnige situaties maakt duidelijk waarom iedereen hier altijd zegt dat het staatsonderwijs erg slecht is. En dan hebben we het nog niet eens over de lesmethodes, of over het aantal leerlingen in een klas.

Jan Hoogland is kenner bij uitstek van het Marokkaans-Arabisch, daarom wilde hij die rappers graag horen. Ikzelf kom die rappers bijna wekelijks in de media tegen, er wordt veel over ze geschreven, wat mij nieuwsgierig had gemaakt. Maar die zaterdagavond stond er geen rap op het programma. Het bleek een heavy metal-avond te zijn. We hadden het programma beter moeten lezen.

Maar we waren niet voor niets naar Casablanca gereden, dus liepen we het voetbalstadion in waar de optredens waren. Er waren veel jongelui, maar er was genoeg ruimte om ergens rustig te staan en wat om je heen te kijken. We maakten beiden kennis met een kant van Marokko die we nog niet eerder hadden gezien. Tieners, zowel meisjes als jongens, in zwarte, gothic kleding. Punkers met hanenkammen. Gezichten waarin de oogkassen zwart geverfd waren. Twintig jaar geleden – of meer? – zou je ze als fans van de hardrockband Kiss hebben herkend, of als epigonen van Alice Cooper.

Hoe moet je de muziek waarnaar deze jongens en meisjes luisterden, noemen? Hardrock? Satanic rock? Het was in ieder geval oorverdovend, en rauw, dat vooral. Op de drums en op de gitaren werd kei- en keihard geramd, en de kinderen voelden zich daar goed bij, ze konden zich uitleven. Ze begonnen te springen, tegen elkaar aan te botsen en te headbangen. Jan en ik keken vertederd toe, als oude mannen, weliswaar volkomen misplaatst maar niet onwelkom. De sfeer was niet agressief. Hier en daar zag ik een meisje met een hoofddoek.

Het is mooi dat dit in een islamistisch land als Marokko kan. Maar het roept wel protest op. De Arabischtalige krant Attajzid publiceerde een paar dagen later op de voorpagina een reeks foto’s van deze ‘duivelskinderen’ en waarschuwde tegen de verderfelijke invloed van L’Boulevard – en andere muziekfestivals – die een Sodom en Gomorra revisited zouden zijn. Wie, zo vroeg de krant zich af die geldt als spreekbuis van de islamistenpartij PJD, verdedigt de Marokkaanse trots? Het festival behelsde niets meer en niets minder dan ‘een aanval op de goede zeden’ en vooral ook op de ‘heilige waarden’, die er altijd bij gehaald worden. Een van de leiders van de PJD stelde het satanische festival aan de orde in het parlement.

Daar blijft het dan wel bij. L’Boulevard zal niet snel worden verboden. Maar de kwestie kan als symbool gezien worden voor de keuzes waarvoor dit land staat, wie het hier te zeggen krijgen: de predikers van het dogma, terug in de tijd, of de vrijbuiters, die de moderniteit in willen. Misschien omdat op festivalavonden niet gedronken mag worden, verlopen ze rustig. Om van Sodom en Gomorra te spreken, is bepaald overdreven, maar het is verkiezingstijd. Toch heeft de PJD, die populair is, híer wel gelijk in: dansen op heavy metal is de ontkenning van alles waar de partij voor staat.

Zo ver liggen de uitersten uiteen in Marokko: L’Boulevard en de PJD. Ze zullen nooit tot een vergelijk kunnen komen omdat ze niets gemeenschappelijks hebben. Marokko zal dus ergens voor moeten kiezen, als het niet al lang ergens voor gekozen heeft.