In Marokko

In Marokko

Een klein, handzaam boek voor wie meer over Marokko te weten wil komen is Le Maroc, uitgebracht in de serie Idées Reçues en geschreven door Pierre Vermeren. Deze 41-jarige Franse historicus, die doceert aan de Sorbonne in Parijs, woonde hier zeven jaar, gaf les op het prestigieuze Lycée Descartes in Rabat, waar de elite haar kinderen naartoe stuurt, en publiceerde diverse historische boeken over Marokko. Vermeren weet kortom waar hij het over heeft.

Vermeren behandelt twintig gevestigde ideeën over Marokko en de Marokkanen die vooral in Frankrijk de ronde doen, zoals ‘Frankrijk is de vriend van Marokko’, ‘Het Marokkaanse platteland, dat is misère’ of ‘Marokko leeft van het toerisme’. Hij laat zien waar zo’n uitspraak vandaan komt en hoeveel waarheid erin zit. Voor ons, lezers, is dat een onderhoudende manier om tegelijkertijd iets over de geschiedenis, over het moderne Marokko én over de Franse blik op Marokko te weten te komen. Zo blijken Marokkanen in Frankrijk te worden beschouwd als hardere werkers en als veel aardigere mensen dan bijvoorbeeld de Algerijnen. De Fransen blijken ook de ryads in Marrakech voor het echte Marokko te houden, getuige het cliché ‘Les ryads, ça c’est le Maroc!’ en er min of meer vanuit te gaan dat ’tous les Marocains parlent français’.

Onder de kop Les Marocains sont tolérants schrijft Vermeren over de ervaringen van de toerist, die het hier wel bont moet maken wil hij níet een keer op de eeuwig als ‘mierzoet’ omschreven thee of voor de couscous worden uitgenodigd. Maar volgens Vermeren is er met die in ieder geval door de Fransen veel geroemde Marokkaanse tolerantie toch wat meer aan de hand. Ten eerste is het een bewust door het regime gecreëerd imago: het tolerante Marokko, dat altijd een veilig thuis bood aan zijn joodse minderheid en dat ook een zeer milde vorm van de islam praktiseert. De vorige koning Hassan II en de huidige koning, zijn zoon, Mohammed VI weten donders goed dat ze Europa nu eenmaal nodig hebben, en dat het helpt zo’n beeld uit te stralen. Niet alleen is het noodzaak warme vriendschapsbanden met Europa te onderhouden, men ziet de Europese toeristen ook graag komen.

Maar, schrijft Vermeren, het is niet alleen opportunisme. Marokkanen zíjn ook gastvrij en tolerant. De meeste toeristen zijn ervan onder de indruk en verbazen zich erover hoezeer ze zich hier op hun gemak voelen. Aan de tafel waar gezamenlijk uit één grote schaal – dus niet ieder van een eigen bord – tazjien of couscous wordt gegeten, is altijd plaats voor een vreemdeling of gast. Zo iemand weigeren zou op een gebrek aan levenskunst wijzen, sterker nog, het is hasjoema, schande, ‘dat wat men niet doet’. Even onbeleefd is het om al te hard ‘nee’ te zeggen of openlijk van mening te verschillen: dat wordt gezien als zou men de vreemdeling of de gast openlijk vernederen. Deze houding, schrijft Vermeren, is een bron van misverstand bij de Fransen die zaken doen in Marokko. De Marokkanen, schrijft hij, weten wel dat Fransen zo bot zijn dat ze recht in je gezicht ‘nee’ zeggen en nemen ze dat niet kwalijk, maar wanneer leren de Fransen nou dat Marokkanen dat anders doen, niet terugbellen of niet meer op komen dagen op de vervolgafspraak. Het heeft geen zin, noteert Vermeren, deze houding hypocriet te noemen, we hebben hier te maken met een andere cultuur.

Wat Vermeren vervolgens schrijft, over de teloorgang van deze tolerantie en gastvrijheid, vind ik intrigerend, maar hij is zo beknopt dat ik niet goed begrijp wat hij precies bedoelt. Hij had hier wat uitvoeriger mogen zijn. Wel vaker vond ik het jammer dat Vermeren dit boekje zo klein moest houden dat het nog gemakkelijk in je binnenzak kan: ieder onderwerp krijgt maximaal vier pagina’s, en sommige onderwerpen smaken naar meer. Het is niet zo, zegt hij, dat de spontaniteit, de gastvrijheid en de tolerantie verdwenen zijn, integendeel, maar toch… In feite zegt Vermeren, als ik hem goed begrijp, dat ook dit land aan de economie is onderworpen en dat geld, de gedachte aan geld en geld verdienen tot in de vezels van de Marokkaanse cultuur zijn doorgedrongen – iets wat een verwoestende uitwerking op de betrekkingen tussen mensen zou hebben.

Is dat zo? Vermeren noemt een voorbeeld. De Marokkaanse jeugd, zegt hij, reageert hierop – op de nieuwe god geld – op twee manieren: ze kiest voor het islamisme, dat terug wil naar een geïdealiseerde islam in een geïdealiseerde tijd, terug ook naar sterke sociale banden binnen de gemeenschap. Of ze kiest voor migratie. En Vermeren benadrukt dat dat een individuele keuze is, in het land waar het voorheen toch nooit zo om het individu ging.