IN MAROKKO

IN MAROKKO

RABAT – Er was hier een avond georganiseerd waarop schrijver Abdelkader Benali en dichter Mustafa Stitou uit eigen werk voorlazen, samen met twee Marokkaanse schrijvers, dit alles nog steeds in het kader van vierhonderd jaar Nederlands-Marokkaanse betrekkingen, deze maand vinden de laatste evenementen plaats. De kleine zaal in het grote Instituut Français zat vol Nederlanders, Benali en Stitou lazen in het Nederlands voor, voor de paar Marokkanen die dat niet konden volgen werd een Franse vertaling van hun teksten op een scherm geprojecteerd. De Marokkaanse schrijvers droegen hun werk in het standaard of klassiek Arabisch voor, in de taal van de koran dus, en ook hier was een Franse vertaling voorhanden.

Het verschil tussen de vier was opvallend. Mus tafa Stitou vooral heeft een

eigen manier van voordragen, die zijn poëzie, toch al krachtig, zelfs bezwerend maakt – ik kende zijn werk niet en was onder de in druk. Maar dat bezwerende voordragen van Stitou, hoe eigen en op zijn plaats ook, leek mij toch in een traditie te staan, hij deed mij den-
ken aan voordrachtskunstenaars als Johnny van Doorn, Jules Deelder, Bart Chabot. Aan Benali’s voordracht was niks bijzonders, het was een mooi en ook grappig verhaal, en hij las het voor, klaar, meer had het verhaal ook niet nodig.

De Marokkaan Yassin Adnan droeg zijn prozagedicht daarentegen voor alsof zijn publiek uit zijn eigen kinderen bestond die hij voor het slapen gaan op een sprookje trakteerde, dat hij zo spannend mogelijk probeerde te maken. De laatste in de rij, Jalal el Hakmaoui, liet zijn voordracht begeleiden door muziek, en dat was geen slecht idee, want we zaten toen al twee uur onafgebroken te luisteren.

Maar er was ook een verschil tussen de twee tweetallen, laat ik zeggen het Nederlandse en het Marokkaanse tweetal. Benali en Stitou zaten erbij als vrijgevochten individualisten die niet veel op hebben met al wat officieel is, van een avond als deze waren ze niet onder de indruk. De Marokkanen daarentegen hadden iets plechtstatigs, en zelfs nu, dagen later, kan ik me niet van de indruk losmaken dat het ook iets met de taal waarin zij schrijven te maken had, dat klassieke Arabisch. Hoewel nog betrekkelijk jong, eind dertig, straalden zij iets gevestigds uit, iets ijdels en gewichtigs, zij waren schrijvers, waar Benali en Stitou dat typisch Nederlandse hadden van juist niets met het gevestigde te maken te willen hebben, zij waren tenslotte schrijvers. Enfin, het lag er nergens, bij geen van allen, dik bovenop, maar het was er wel.

De gespreksleidster, Dominique Caubet, directeur van een centrum in Parijs voor studie en onderzoek naar het Arabisch van de Maghreb, vroeg de Nederlanders of zij Nederlands nu als hun moedertaal beschouwden – een vraag overigens die zij Abelkader Benali ook stelt in haar boek Shouf Shouf Hollanda!, dat net uit is. Het is in het Frans en bestaat uit een reeks vraaggesprekken met Nederlands-Marokkaanse schrijvers, rappers en acteurs, ook Ali B. en Mimoun Oaïssa (hoofdrol in Shouf Shouf Habibi) worden ondervraagd, en het heeft als onderwerp grof gezegd identiteit: hoe zien deze kunstenaars «tussen twee culturen» zichzelf nou, et cetera.

Benali én Stitou beschouwen Nederlands misschien niet als hun moedertaal – want hun moeder sprak een andere taal – maar Nederlands is wel de taal die zij het best beheersen. Ik heb me er altijd over verbaasd dat veel van mijn leerlingen hun moedertaal – taal van hun ouders – maar gebrekkig spraken, ze spraken veel en veel beter Nederlands. Stitou zei dat het bij hem ook zo was en legde me uit dat dat kwam omdat hij met zijn ouders altijd maar beperkte gesprekken voerde. Eigenlijk spraken ze niet zo veel, en zeker niet over veel verschillende dingen. De taal gesproken tussen ouder en kind had maar een beperkte reikwijdte, het Nederlands dat hij met vrienden en op school sprak, op televisie hoorde en waarin hij las, werd al snel een veel rijkere taal.

Benali zei dat hij aan tafel met zijn ouders in het Tamazight sprak, het Berbers van de Riffijnen, maar aan diezelfde tafel sprak hij met zijn zus Nederlands. In het boek van Caubet zegt Benali nog iets interessants over dat tussen twee culturen leven – eigenlijk, zegt hij, zijn niet de kinderen, de tweede generatie, maar hun ouders degenen die tussen de Nederlandse en Marokkaanse cultuur leven, niet in de ene noch in de andere, wel terug willen maar niet kunnen, de taal daar wel spreken maar er niet wonen en hier niet spreken maar er wel wonen, et cetera. Dat trof me.

Dominique Caubet, Shouf Shouf Hollanda!

Tarik editions, 70 DH, ISBN 9954-419-31-4