In Marokko

In Marokko

Het land van aankomst van Paul Scheffer heb ik nog niet gelezen (in Marokko loop je achter) maar ik las wél wat recensent Rob Hartmans daar drie weken geleden in De Groene over schreef. Het heeft er alle schijn van – ik ga af op Hartmans – dat Scheffer in zijn boek een cliché herhaalt dat in het integratiedebat vaak opduikt en waarvan het maar de vraag is hoe waar het eigenlijk is.

Over welk cliché heb ik het? Ik citeer Hartmans: ‘De overtuiging dat integratie puur een kwestie van tijd is, vloeit volgens Scheffer voort uit de Nederlandse neiging problemen te vermijden of te ontwijken. Bovenop deze traditie van schikken en plooien is nog eens de verderfelijke invloed van het cultuurrelativisme gekomen, waardoor ontkend wordt dat er zoiets bestaat als een “nationale identiteit”, laat staan dat men trots is op het eigen land. Deze “zelfontkenning” heeft volgens Scheffer “perverse gevolgen” gehad, aangezien het er in de praktijk op neerkwam dat men de nieuwkomers in hun eigen sop liet gaarkoken.’

Dat laatste, van dat gaarkoken, is ook niet waar, zelf heb ik tien jaar lang Nederlands gegeven aan de kinderen van buitenlanders – dus we deden wel degelijk iets voor ze – maar daar gaat het me nu niet om. Ik wil hier beweren dat onze houding tegenover buitenlanders nooit het gevolg is geweest van zelfontkenning maar juist van een hyperbewustzijn van een eigen Nederlandse identiteit waarop we trots waren.

Interessant in dit opzicht is wat sociaal geograaf en directeur van het Nederlands Instituut te Rabat Paolo De Mas hierover zijdelings zegt in zijn bijdrage aan een internationaal congres over radicalisering, vorige week in Den Haag. De Mas behandelt in die bijdrage veertig jaar migratie/integratie, en belicht zowel de Nederlandse als de Marokkaanse kant daarvan, want Marokko heeft zich altijd geïnteresseerd voor de Marokkanen buiten haar grenzen.

De Mas schrijft dat Marokko zich in de jaren tachtig ongerust begon te maken over opkomend radicaal-islamitisch gedachtegoed (‘obscurantisme’) onder Marokkanen binnen en buiten de landsgrenzen. Om die reden ging men Marokkaanse onderwijzers (eigen taal en cultuur) en imams naar Europa sturen. Frankrijk, België en Duitsland werkten mee met Marokko, de leraren en imams waren daar welkom, maar Nederland deed dat niet. Omdat koning Hassan II terecht als een dictator werd beschouwd en – typisch Nederland – met verderfelijke regimes werk je niet samen.

Marokko wilde greep houden op het gedachtegoed van de Marokkanen overzee. Dat gedachtegoed beïnvloeden. Maar die intentie werd door Nederland in die jaren ook als verderfelijk beschouwd, en ook dat was weer typisch Nederlands – reden dat Nederland door Marokko dan ook als territoire de haut risque potentiel werd gezien.

Met ‘typisch Nederlands’ bedoel ik dat dit alles te maken had met onze identiteit, met hoe wij onszelf zagen. We hebben het over de jaren zeventig en tachtig, jaren waarin het individualisme voortschreed en we meer dan ooit vonden dat de staat zich zo min mogelijk moest bemoeien met onze individuele vrijheden, met ons privé-leven dus (vandaar ook dat we het dictatoriale Marokko zo verderfelijk vonden). De staat, vonden we, moest zich verre houden van ons persoonlijke, sociale, culturele en religieuze leven – dat was allemaal privé-domein. De gastarbeiders, schrijft De Mas, kwamen naar ons toe en begonnen hun gezinnen te herenigen in die tijd, ‘de extravagante jaren zeventig en tachtig’, de tijd van provo’s, flowerpower, bezetting Maagdenhuis en krakers. Groter contrast was er niet.

En daaronder lag nog onze traditie van verzuiling. Al met al werd godsdienstige beleving in die tijd gezien a. als van voorbijgaande aard en b. als zijnde géén staatsaangelegenheid. Vandaar dat categorische nee tegen het sturen van imams. Typisch Nederlands alweer, net als het bestaan van bijzonder onderwijs, dus van een bepaalde signatuur, naast openbare scholen – Nederland was daarin uniek in Europa. Dat Marokkanen in die tijd een moskee wilden, en een eigen islamitische school: natuurlijk moest dat kunnen. We waren er trots op dát het kon, waren gidsland, vonden het zelfs normaal. Niks zelfontkenning. Dit was onze identiteit, zeer vooruitstrevend, moreel superieur. Het was ook geen onverschilligheid, integendeel. De vrijheden die wij hadden moesten anderen ook hebben. Een principe.

Naïef? Ja, maar dat vinden we nu. Cultuurrelativisme? Misschien, maar daar waren we juist trots op. Erfenis van de Tweede Wereldoorlog? Zeker. We voerden in die jaren géén migratiepolitiek, waar andere landen zo verstandig waren dat wél te doen. Wij selecteerden juist níet, zeiden níet: jij bent welkom, maar je buurman moeten we niet. En ook daar waren we trots op. Wij waren beter, humaner, dan andere landen.

Als er al sprake is van zelfontkenning – dan is dat nu. Nú ontkennen we waar we toen, met een zeker recht, trots op waren, wat we toen collectief voor onze identiteit hielden, voor bij uitstek Nederlands.