In Marokko

In Marokko

Het was onlangs in het nieuws: dat Marokko als eerste land in de Arabische wereld aan een van haar universiteiten – Hassan II in Casablanca – het vak ‘Nederlandse Taal en Cultuur’ gaat aanbieden. En dat ik degene ben die dat vak gaat geven.
Het aanbieden van dat vak zou ‘de economische en culturele betrekkingen’ tussen Marokko en Nederland moeten verbeteren. Wel, het zal niemand verbazen dat ik mij daar graag voor inspan. Alleen al door het schrijven van deze column meen ik daaraan mijn steentje bij te dragen, en ongetwijfeld zal het contact met Marokkaanse studenten stof voor nieuwe columns opleveren. In Casablanca zal ik uitleggen hoe Nederland en de Nederlanders in elkaar zitten, en in deze columns doe ik het omgekeerde. Aldus zal ik fungeren als bruggenbouwer. Ik beschouw het als een erebaan.

Laat de lezer echter niet de fout maken te denken dat de bruggenbouwer er ongeschonden uit komt. Hij is geen doorgeefluik – hij is een brug, die de ene oever met de andere verbindt. Hijzelf is het levende weefsel dat links een knauw en rechts een stomp incasseert, om aan de andere kant te kunnen vertellen hoe dat voelt. Hij krijgt een schop, en de trillingen golven door tot aan de overzijde. Hij staat allerminst buiten spel.

Laat ik eerst de Nederlandse kant van de zaak onder de loep nemen. Oud-minister van Onderwijs Maria van der Hoeven kwam vorig jaar juni naar Rabat toe om het Nederlands Instituut te openen. Tijdens dat bezoek kondigde ze aan dat ze hier wel ‘een leerstoel’ Nederlands wilde financieren. Ze liet het verder aan de Marokkaanse universiteit en het Nederlandse Instituut over om alles te regelen. Anderhalf jaar later is het dan bijna zo ver, hoewel ‘leerstoel’ een groot woord is.

Wat is namelijk het geval? De Nederlandse Taalunie financiert de ‘leerstoel’ voor een periode van drie jaar. En dat is slecht nieuws. Want die Taalunie is een onbeschofte vrek. De prijs die ze Jeroen Brouwers voor zijn hele oeuvre geeft, is zo weinig (vijftienduizend euro) dat de man het als een belediging opvat en de prijs weigert. Bravo. Ik ga de baan niet weigeren, maar het is nu al zeker dat ook ik nauwelijks betaald zal krijgen. Men (Taalunie) vindt namelijk dat als men in Marokko werkt men dan een Marokkaans salaris moet krijgen. Dat is bij een fulltime baan hooguit duizend euro per maand. Maria van der Hoeven mag dan plechtig van een leerstoel spreken, en de kranten met immer acuut historisch besef van ‘het eerste Arabische land dat…’, het moet wel op een koopje.

Bij ambassades zie je iets dergelijks ook. De diplomaten zelf worden uitstekend betaald – wie krijg je anders nog zo gek om vier jaar in Marokko te gaan werken? – maar het Marokkaanse personeel dat men hier werft, krijgt wat men noemt een ‘lokaal salaris’. Die Marokkaanse werknemer is mogelijk twee keer zo veel waard als de Nederlandse mannen met diplomatieke status, die hier wel graag paardrijden en golfen maar geen Arabisch spreken en niks van Marokko weten – en toch krijgen zij vijf tot tien keer zo veel betaald als hun Marokkaanse collega’s aan het aanpalende bureau. Nederland Gidsland heeft zich hevig opgewonden over de apartheid in Zuid-Afrika, maar binnen haar ambassades overal ter wereld laat men die niettemin graag bestaan.

Mij lijkt het een kwestie van waarden uitdragen, van beschaving dus. Wil je iemand op een hongerloon houden, of wil je mensen in staat stellen zich te ontwikkelen, zodat ze bijvoorbeeld ook de muziekles voor hun kinderen kunnen betalen. Wat voor mensen wil je in je land hebben rondlopen? In Nederland hebben we die beschaving bevochten – socialisme, dus redelijke salarissen – maar die hoeft in het buitenland kennelijk niet te worden uitgedragen.

Enfin, ik solliciteerde 7 september, en om allerlei ingewikkelde redenen moest dat in België. Dus dat kostte me een vliegticket en hotelovernachtingen, en noch de Marokkaanse universiteit noch de Taalunie heeft aangeboden die kosten te vergoeden. Welkom in Nederland! Welkom in Marokko! Welkom in het grijze gebied tussen de twee landen, in het gedoe en het gerommel en de ondoorzichtigheid. Ik heb van het Nederlands Instituut te horen gekregen dat ik van de drie kandidaten was uitverkozen, en dat men op de universiteit zou willen dat ik in januari zou beginnen, maar ik heb van diezelfde universiteit – die mijn werkgever toch wordt – nog geen bevestiging ontvangen. Het is twee maanden later. Geen brief, niet gebeld, niks. Maak ik me er druk om? Een beetje, anders schreef ik deze column niet. Maar ik weet ook dat dit Marokko is en dat het wel goed komt allemaal, vermoedelijk vóór januari.