Commentaar: Andreas Burnier

In memoriam Andreas Burnier (1931-2002)

«Voor alles is er een tijd», vond de op 18 september overleden schrijfster Andreas Burnier (pseudoniem van de criminologe Catharina Irma Dessaur). Ze schreef dit in een noot in haar roman De huilende libertijn (1970) en verbond hieraan het dwingende advies om in elk geval vóór je dertiende jaar De wonderlijke avonturen van Bram Vingerling van Leonard Roggeveen te lezen. In dezelfde roman introduceerde ze de term «sekse fascisme» om het verschijnsel te benoemen dat vrouwen overal ter wereld uit de machthebbende regionen worden geweerd. Opdat ooit mannen zullen worden opgevoed tot zwijgzaamheid, kuisheid en volgzaamheid begint de romanheldin een vrouwelijke commandotraining. Sprankelende wijsheden en sardonische humor vervat in een roman die spot met alle literaire wetten: het is het schrijverschap van Burnier op zijn best.

«Ik ben heftig», zei ze in een gesprek met deze krant in 1997 ter gelegenheid van de publicatie van De wereld is van glas, achteraf gezien haar laatste roman. «Daarnaast zit ik, zoals velen van mijn joodse generatie, met een woede die zo groot is en zo onverteerbaar dat zij onverwerkbaar blijft.» Die woede, wortelend in de periode dat ze als negenjarige moest onderduiken op diverse adressen en in de tijd toen ze zich later geconfronteerd zag met het verlies van haar familie, is voelbaar in haar romans, essays en polemisch werk. «Het uitroeien van je familie, je vrienden, je omgeving is iets dat je niet kunt verwerken.»

Andreas Burnier debuteerde sensationeel met de roman Een tevreden lach (1965). Terwijl collega-auteurs zich op de collectieve vrouwelijke ervaring stortten, werkte Burnier aan de verbeelding van haar eigen kosmos. Er denderde een woedend meisje over de pagina’s, in te grote soldatenkleren, die uit wanhoop over haar eerste menstruatie haar haren afknipte. Ze zat gevangen in het vrouwenlijf, maar weigerde de bijbehorende beperkingen te aanvaarden.

Het gevecht tegen het deprimerende bestaan zette zich in haar volgende romans door, met als hoogtepunten (naast De huilende libertijn) De verschrikkingen van het noorden (1967), Het jongensuur (1969) en De litteraire salon (1983). In het werk dat ze hierna schreef, maakte het vrolijk-bijtende levensgevoel allengs plaats voor zwaarte, zelfanalyse en getob met de aloude romanvorm.

In haar laatste boek exploreerde ze haar joodse identiteit en wendde ze zich expliciet tot een rabbi voor hulp. Hij moest haar helpen de figuren bij elkaar te brengen die in haar huisden: de zoeker, de zwartkijker en de melancholicus. Voor alles is er een tijd. Gelukkig voor ons heeft Burnier lang gewacht met het zoeken naar synthese; haar innerlijk gevecht heeft boeken voortgebracht die in elk geval ná Bram Vingerling gelezen moeten worden.