In memoriam bert schierbeek

Zondagavond overleed Bert Schierbeek op 77-jarige leeftijd. Ik kan nu natuurlijk vertellen dat hij zijn kindertijd op het Groningse platteland doorbracht, opgevoed door zijn grootmoeder, en dat het uitgestrekte polderlandschap van zijn jeugd steeds weer in zijn werk zou terugkeren. Ik kan vertellen dat hij in 1940 naar Amsterdam vertrok waar hij collega- kunstenaars als Jan Elburg, Gerard den Brabander en Gerrit Kouwenaar ontmoette en waar hij in het verzet verzeild raakte.

Hoe hij na de oorlog debuteerde met de nog traditionele roman Terreur tegen terreur en tot de redactie van het experimentele tijdschrift Het Woord toetrad. Hoe hij lustig begon te experimenteren met de romanvorm, de associatieve roman Het boek ik schreef, en deel uitmaakte van de Vijftigers. Hoe hij een eigen genre, ‘proezie’, ontwikkelde, een eigenzinnige mengvorm tussen proza en poezie. En hoe zijn werk allengs soberder werd: na exuberant experimentele romans en romangedichten als Weerwerk en Binnenwerk maakte hij gedichten die de eenvoud van haikus hadden.
Maar een chronologische levensschets vloekt bij een dichter/schrijver die in zijn werk niet een verhaal wilde presenteren. 'Ik dacht dat het leven 777 verhalen tegelijkertijd was’, zei hij in een interview, 'en dat het “Ik” als een octopus om zich heen moest grijpen om alles te vatten wat er om je heen en in je gebeurde.’ Schierbeeks principiele meerstemmigheid - hij was bovenal een taalverzamelaar die de stemmen van vrienden en kennissen, van boeren en filosofen optekende - kun je niet tot een keurig verhaaltje terugbrengen. Bovendien zou hij direct relativerend fronsen zo gauw er deftige literaire etiketten op zijn werk werden geplakt.
K. Schippers haalde eens de herinnering op aan een lezing die Schierbeek in de jaren vijftig voor studenten hield. Aan het slot vroeg een van hen snedig 'wat nu eigenlijk de rode draad in zijn werk was’. Als antwoord pakte Schierbeek Het boek ik, sloeg het open, scheurde het door midden en begon langzaam de draad die de bladzijden bijelkaar hield eruit te trekken. In feite was dat een poeticaal kunststukje: in zijn boeken probeerde hij het versteende beeld van de werkelijkheid te ontrafelen, verzette hij zich tegen verstarring van de taal. In zijn laatste dichtbundel, De zichtbare ruimte uit 1993, verwoordde hij het nog: 'de realiteit ontrafelen/ de rafels weer aan elkaar zetten/ zodat de scheuren/ zichtbaar blijven/ dichten dus’.
Niet alleen de werkelijkheid ontrafelde Schierbeek, ook het 'ik’ sloeg hij in zijn boeken opgewekt aan stukken. Op zijn achttiende las hij alles van Nietzsche en knoopte hij diens uitspraak 'Was ist das Ich das Ich sagt’ in zijn oren. In Terreur tegen terreur stelde hij al: 'Ons “ik” is immers van geen enkel belang, het “ik” van vandaag is al niet meer hetzelfde als dat van gisteren.’ In zijn werk gebruikte hij het 'ik’ als een soort verzamelplaats, waar hij zoveel in samenbalde dat het niet meer bestond; de grenzen tussen 'ik’ en ander hief hij op.
Ach, ook dit klinkt allemaal te zwaarwichtig. Drie jaar geleden interviewde ik Bert Schierbeek: een vriendelijke man met een gezicht dat was getekend als een landkaart vol wegen en weggetjes. Elke vraag over zijn werkwijze beantwoordde hij eerst met een hartelijk gelach. Ongrijpbaar was hij; ernstige uitspraken, dooddoeners en grappen reeg hij door elkaar.
De laatste keer dat ik hem tegenkwam, een jaar geleden op een borrel van zijn uitgever de Bezige Bij, zette hij me weer op het verkeerde been. Ik had hem al begroet, een uur later kwam hij weer naar me toe. 'Nou dag’, zei hij. 'Ga je dan weg?’ vroeg ik nadat ik hem goedendag had gekust. 'Nee hoor.’