In memoriam g. l. durlacher (1928-1996)

In zijn autobiografie Schrijven of leven komt Jorge Semprun via omwegen toch telkens weer terug bij de plek waar alles begon en eindigde: Buchenwald. Semprun, die jarenlang zweeg over zijn kampervaringen en onderdook in het verzet tegen Franco-Spanje, stelt zich in Schrijven of leven vragen waarop nauwelijks een antwoord mogelijk lijkt: ‘Zou ik voorgoed die ander blijven, die door de dood heen was gegaan? Die zich ermee had gevoed? Zichzelf erin had afgeschud, erin was opgelost, verloren geraakt?’

Om te kunnen overleven wordt hij een ander, tot de last van de herinnering en het gevaar voorgoed te vergeten hem tot spreken dwingen. ‘Ik was door de dood gegaan, de dood was een ervaring van mijn leven geweest.’
Sempruns autobiografie verscheen in 1994. Toch weet ik zeker dat G. L. (Gerard) Durlacher Sempruns kampverslag al meer dan een halve eeuw kende, dezelfde onbeschrijflijke ervaringen met hem deelde. In het slotverhaal van Quarantaine (1993) schrijft Durlacher, alleen teruggekeerd na drie jaar Westerbork, Theresienstadt en Auschwitz en inwonend bij een tante die vindt dat hij zich niet zo moet aanstellen: 'Ik ben zeventien jaar, zonder beroep, zonder opleiding. Het kamp was een leerschool voor het sterven, niet voor het leven.’
Primo Levi heeft in zijn essaybundel De verdronkenen en geredden de ex-kampgevangenen onderverdeeld in twee groepen: de vertellers en de zwijgers. Semprun en Durlacher waren aanvankelijk zwijgers, totdat de 'verdringing van het onverdringbare verleden’ zoals Durlacher het in zijn indrukwekkende Strepen aan de hemel (1985) formuleert, niet meer houdbaar bleek. Verteller en zwijger: Durlacher was beiden als hij schreef. Zijn stijl is verwonderlijk nuchter en sober. Hij registreert, opdat de verschrikking zelf maar ook de inleiding daarop (zijn kinderjaren in het Derde Rijk: Drenkeling, 1987) en de naoorlogse tijd van 'overgaan tot de orde van de dag’ (Quarantaine en Niet verstaan (1985)), nooit meer onopgemerkt zullen blijven.
Gevoelens van woede of haat kom je zelden bij hem tegen. Eerder slaat hij in zijn autobiografische boeken de toon van verwondering, nieuwsgierigheid en mededogen aan. Ik denk dat hij daardoor, door te weigeren in zijn literaire werk het slachtofferschap te koesteren, zoveel indruk maakte. Het staat nergens, maar Durlachers boeken zijn stuk voor stuk uitingen tegen de onverschilligheid, tegen het vergeten en het verdringen. Het is de zuiverheid van zijn woordkeus, de zuinigheid met Grote Woorden, die zijn werk tot een bescheiden monument in de Nederlandse literatuur maken.
Durlachers boeken tegen het vergeten vormen een expressiemiddel van een drenkeling in de geschiedenis van deze eeuw om uit het isolement te komen van de verschrikking waarvoor geen woorden zijn.
Zwijger of verteller, niemand kan het heden loskoppelen van het verleden. Soms overvalt het je, bladerend in een boek over Westerbork waarin je plotseling je vader op een foto tegenkomt: 'Een halve eeuw verschrompelt tot een halve seconde. Met een vergrootglas bekijk ik mijn vader en realiseer mij dat hij toen pas 41 jaar was. De herinnering aan mijn kinderjaren die overschaduwd werd door zijn harde regime, verliest opeens zijn scherpe contouren. Ik besef de betrekkelijkheid van mijn jeugdverdriet en voel berusting. Medelijden neemt de plaats in van wrok.’
Het schrijven van Gerard Durlacher was een oefening in bescheidenheid en een oefening in waakzaamheid.