In memoriam grunge

Een paar maanden geleden meldde Kurt Cobain in een interview dat hij nog nooit zo gelukkig was geweest. Zijn afscheid was toen reeds geregeld; de overdosis slaappillen lag binnen handbereik op zijn nachtkastje. Jammer dat de artsen er vervolgens te snel bij waren en alle lichaamssignalen negerend Cobain uit zijn coma trokken. Dat interview, afgedrukt in het muziekblad Oor, is postuum moeilijk anders op te vatten dan als Cobains saluut aan de wereld. Hij uit zijn bewondering voor John Lennon, doet nog een keer zijn beklag over de status waarmee de media hem hebben opgezadeld, en lekkerbekt bij zijn collectie geweren: ‘Schieten is de enige sport die ik ooit heb kunnen waarderen.’

In hun analyse van de zelfmoord van Cobain benadukten de media voor de laatste keer het Nirvana-effect. Als kleine, onbeduidende band wist Nirvana van het album Nevermind acht miljoen exemplaren te verkopen. Dat gegeven haalde andere platenmaatschappijen de schellen van de ogen. De logge, atmosferische grunge van talloze Nirvana-epigonen werd met ronkende reclametaal aan de man gebracht. Het raakt aan de essentie van Cobains tragiek. Niet op de aard van zijn muziek werd hij beoordeeld, maar op de nieuwe kansen die door zijn muziek aan collega-musici werden geboden. Steeds wanhopiger probeerde hij dat te keren. Aanvankelijk door alle bands die in het Nirvana-spoor traden als lege marketingconcepten neer te sabelen. Later door de grunge de grunge te laten en te opteren voor meer psychedelische invloeden. Maar Cobain twijfelde of zijn bandgenoten, met wie hij in een voortdurende kift leefde, over voldoende technische bagage beschikten.
De vraag of grunge de trend ontstijgt en een lemma in de muziekencyclopedie zal worden, valt pas over enkele jaren te beantwoorden. Maar ik hou m'n hart vast. Grunge heeft gefungeerd als katalysator van wat er in de hierarchische muziekbusiness fout zat. En vormde bovendien voor de gevestigde orde een welkom alternatief voor de steeds gewelddadiger zwarte rapscene. Als zelfstandige muzieksoort loopt grunge inmiddels op z'n laatste benen. Cobains geweerschot heeft, zo valt te vrezen, behalve de uitvinder ook het hele genre om zeep geholpen.
Elke suggestie van overeenkomst tussen Kurt Cobain en de Britse zanger Paul Weller is op het eerste gezicht geforceerd. Weller is een van de legendarische figuren uit de punk en new wave-scene. Zijn toenmalige band The Jam vormde het beschaafde alternatief voor de Sex Pistols. Als buitengewoon begenadigd songwriter kon Weller met het beperkte bas-drum-gitaar-idioom van de new wave na enkele jaren niet meer uit de voeten. Bovendien zat zijn stardom hem in de weg. In zijn daaropvolgende formatie The Style Council voegde hij blazers en synthesizers toe aan het instrumentarium. Het resulteerde in jazzy en, zeker in de begintijd van de band, soms opzwepende soul. Na het einde van The Style Council verloor ik Weller uit het oog. Tot zijn optreden jongstleden zaterdag in Paradiso.
Zoals de grunge binnenkort ten grave zal worden gedragen, is het de new wave tien jaar geleden gebeurd. Weller keek in de spiegel en wandelde met synthesizers onder zijn arm net zo lang achteruit tot het beeld van hem begon te vervagen. Toen hij onherkenbaar was, gooide hij de ballast van zich af en trad weer naar voren. In Paradiso speelde Weller met begeleidingsband een zeer overtuigende, energieke set die herinnerde aan vroeger tijden, zonder dat hij zijn aloude repertoire hoefde aan te spreken.
Cobain stond dit voorjaar voor dezelfde spiegel. Ook hij wilde zijn gezicht onherkenbaar maken. Maar achteruit lopen kon hij niet meer. Want daar stonden zijn vrouw en kind die hem van mishandeling beschuldigden; zijn manager die na de geflopte laatste cd het platencontract wilde verscheuren; en minstens honderd journalisten die allemaal exclusieve interviews met hem wilden hebben. En hij was al maagpatient.