In memoriam helene weyel

Dapper schuddende zwarte krullen, strijdbaar blikkerende brilleglazen. Dat was Helene Weyel, die deze week, 44 jaar jong, overleed. Zij heeft eens beschreven hoe haar vader op 4 mei bij het oorlogsmonument op de Apollolaan uitlegde dat die drie mannen symbolen waren voor de houding die men tijdens de oorlog had aangenomen: strijdbaar, afwachtend of moedeloos. Als klein meisje heeft zij ze daarna van alle kanten getekend met het vaste voornemen strijdbaar te worden en met opgeheven hoofd de vijand tegemoet te treden. Al twijfelde zij ook toen al of zij ooit zo strijdbaar en dapper zou kunnen zijn in een tijd als die waarin haar ouders als overlevenden waren uitgekomen.

Het werd wel geen oorlog, maar haar dapperheid en strijdbaarheid heeft zij ruimschoots kunnen bewijzen. Meer dan van wie ook is het leven van haar familie getekend door de oorlog. Haar grootvader was een van de voorzitters van de Joodse Raad, haar moeder en tante konden door hun werk in de joodse creche zorgen dat honderden joodse kinderen konden onderduiken. Haar vader en moeder trouwden in Westerbork. Het huwelijk hield na de oorlog geen stand en haar moeder kon het leven na de oorlog niet altijd aan.
Maar Helene zag dat dat niet alleen hun persoonlijke problemen waren. Zij zocht in 1981 een aantal joodse vrienden van vroeger op en vroeg ze naar de gevolgen van de oorlog voor hun ontwikkeling, hun groei en hun leven. In haar artikel ‘De kinderen van het KZ-syndroom’, in de Haagse Post van 2 mei 1981, vertellen voor de eerste maal in Nederland mensen van wat nu 'de tweede generatie’ heet over hun problemen. Over het eeuwige zorgen om de ouders, het gevoel dat hun eigen verdriet niets was vergeleken met dat van hen. Dat ze, wat voor prestaties ze ook leverden, toch nooit het oneindige leed van hun ouders konden verzachten.
In Weyels boek In twee werelden (Van Gennep, 1985) spraken tien van hen zich eindelijk uit. In de joodse wereld werd negatief gereageerd, maar kinderen van verzetsmensen, van communisten en van slachtoffers van Jappenkampen belden haar op of schreven brieven. Ze bleek een hele generatie voor te zijn gegaan.
Maar ze bleef vechtlustig. Persoonlijke problemen wist zij om te zetten in licht getoonzette verhalen ('Middagvoorstelling’) en een kleine roman (Zonder jas de straat op). Haar jongste zoontje bleek doof geboren en even strijdvaardig kwam zij, bijvoorbeeld in een artikel in de Volkskrant van 20 maart 1993, op voor zijn belangen en voor de erkenning van de gebarentaal als een volwaardige taal, met eigen specifieke uitdrukkingen en een eigen humor. Zij vocht voor de rechten van haar zoontje en voor haar gezin, zoals zij ooit had gefantaseerd in een oorlog te moeten vechten.
En ze bleef vechten toen ze, moeder van twee jonge kinderen, kanker bleek te hebben. Ze overwon vrolijk en dapper de ziekte, maar moest kort daarna toch het onderspit delven. Zij schreef het zelf zo droevig mooi op, in het verhaal 'Greet’: 'Dood. Zo'n simpel woord, alsof daarmee de ingrijpende gevolgen konden worden verdoezeld. Voor kinderen ook makkelijk, een lettergreep. Later, als ze groot zijn mag het pas begrijpelijk worden: dood is het equivalent van voorgoed verdwenen. Nooit meer terugkeren. Jou alleen achterlaten. Nooit meer horen: “Kom hier, ik bescherm je; kom hier, ik troost je.” ’