In memoriam Hella S. Haasse (1918-2011)

Hella S. Haasse liep nooit in de pas van de massamedia, ze deed niet mee, zoals zoveel andere schrijvers, ze morrelde eraan, ze was een scharrelaar, ze formuleerde tegengeluiden.

Medium hh 10425726

Ik ben een late Haasse-bewonderaar. Toen ik in 2002 en 2003 mijn roman over Betje Wolff en Aagje Deken voorbereidde (Ter navolging) las ik haar curieuze roman Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven (1976), waarin beide Nederlandse schrijfsters een (kleine) rol spelen. Haasse stelt zich in haar roman voor dat de decadente Markiezin de Merteuil, een belangrijk personage uit de roman Les liaisons dangereuses (1782) van Pierre Choderlo de Laclos, in Den Haag woont en brieven met haar schrijft. En ze grijpt deze constructie aan om veel van haar ideeën over ‘de vrouw’ en 'de man’ voor het voetlicht te krijgen. Je kunt haar boek lezen als een poging tot rehabilitatie van De Merteuil. Niet alleen haar stijl, die als speelse golfjes in de branding op me af kwam, raakte me, maar ook haar spel met en verwijzingen naar allerlei basisgegevens uit een belangrijke Europese literaire traditie. Ze noemt het gedicht La Belle Dame Sans Merci, tragisch gedicht van Keats over de verdorven nimf die alle mannen verslindt, ze heeft het over deze wrede maar vaak toch ook gelukzalige godin die in de literatuur in allerlei gedaantes optreedt, ze bespreekt uitvoerig dit dubbelzinnige beeld van vrouwen dat vooral berust op een mannelijke blik. Ze laat zien dat het al rondspookt in mythen uit de antieke oudheid.

Genoeg reden voor mij om haar werk opnieuw en beter te lezen en te herlezen, ook al omdat ik in haar stijl 'de methode van de omweg’ ontdekte. Ik bedoel, in haar psychologische romans tref je zelden explicaties aan, zelden eenduidige meningen, zelden opgeklopte emoties en sentimentaliteit, maar altijd omwegen, fluisteringen, voorzichtige toespelingen en raadselachtige, soms zelfs toverachtige allusies. In 2004 presenteerde ze in het Betty Asfalt Complex in Amsterdam mijn roman Ter navolging, wie erbij was zal het niet makkelijk vergeten. Ze klom het podium op, dat viel nog niet mee, ze was al oud, deed haar horloge af, legde het voor zich op de lessenaar en stak voor de vuist weg een gloedvol, erudiet en uitermate geestig betoog af van zeker twintig minuten.
Een paar jaar daarvoor had ik in dit blad Sleuteloog (2002) besproken, ik was geïmponeerd door haar uiterst subtiele manier van omgaan met het verleden. Haasse werkte ook in deze roman niet met uitleggerigheid, ze droeg ingrediënten aan, brokstukken uit het verleden van een kunsthistorica die dat verleden in Indië nooit werkelijk onder ogen heeft gezien. Alles is verdrongen. Ook het verraad, de ontrouw van haar man, de koloniale werkelijkheid. Tevergeefs probeert deze oude vrouw zich alles te herinneren en in een verteerbaar kader te zetten. Haasse wist dit gegeven te vangen in een uitermate doeltreffend beeld. Ze stelt het voor dat de oude vrouw nog een kistje in haar bezit heeft waarin oude papieren zitten, maar helaas is ze de sleutel kwijt. Dit letterlijke 'kwijt zijn’ is de symbolische leidraad van het hele boek: de sleutel is weg, alles is verdwenen, het verleden is onherroepelijk gesloten, we kunnen ons alleen nog verwarde en onbetrouwbare zaken herinneren. Maar ondertussen weet de lezer langzamerhand steeds meer, meer dan de oude vrouw, de waarheid komt onafwendbaar boven tafel.

Al veel eerder werkte ze met dit soort reconstructies van het verleden. In haar voortreffelijke en destijds zwaar onderschatte roman De meermin (1962) gaat het om een skelet dat in een Amsterdams grachtenpand wordt gevonden. Hier is niet de sleutel weg, maar er zit een lijk in de kast. Wie is het? Wat is er gebeurd? En ook hier weer gaat het om verdringing, onjuiste herinneringen, ontrouw en verraad. Opnieuw indringende beelden over hoe mannen over vrouwen denken en andersom. Ze geeft in deze roman een bitter en af en toe zelfs cynisch beeld van het halfslachtige verzet tegen de Duitsers dat destijds in burgerlijke intellectuele kringen bon ton was. Wantrouwen tegen herinneringen, wantrouwen tegen zelfbeelden, dat zijn belangrijke ingrediënten van haar werk.

'Oeroeg was mijn vriend.’ Met deze knal begint het boekenweekgeschenk uit 1948, waarmee ze in één keer de Nederlandse literatuur op een hoger niveau bracht. Kijk eens goed naar de zin die volgt. Let op de stijl, de toverachtige beelden, de visie op het verleden. Deze zin is niet alleen een proeve van jaloersmakend voortreffelijk schrijven, toen al, maar formuleert ook enkele bouwstenen van haar hele schrijfprogramma waaraan ze dus bijna zestig jaar zou blijven vasthouden. Dit is grote literatuur. 'Als ik terugdenk aan mijn kindertijd en mijn jongensjaren, verschijnt zonder uitzondering het beeld van Oeroeg in mij, als was mijn herinnering gelijk aan een van die toverplaatjes, die we vroeger plachten te kopen, drie voor een dubbeltje: geelachtig glanzende stukjes met lijm bestreken papier, waarover men met een potlood krassen moest, totdat de verborgen voorstelling aan het daglicht kwam.’ Dit is haar programma: 'terugdenken’, 'verschijnende beelden’, 'toverplaatjes’, 'verborgen voorstelling’, 'krassen’, 'aan het daglicht komen’. Lees haar romans en geef je over aan haar wereld, een wereld van betovering en onttovering, van het verborgene, van het duistere dat altijd onder het licht schemert en je bij de keel dreigt te grijpen. Let op de titels die ze aan haar romans gaf, ze preluderen vaak op haar programma: Het woud van verwachting, De verborgen bron, De ingewijden, De meester van de neerdaling, Transit, Fenrir, Sleuteloog. Er is werkelijk niets zoetsappigs aan het oeuvre van Hella Haasse, ook al is dat haar meer dan eens aangewreven, en niets erin is bescheiden. Ik kreeg wel eens het idee dat ze zich in interviews tamelijk bescheiden opstelde om ervan af te zijn, dat gezeur ook altijd, maar met haar schrijfprogramma waaraan ze altijd trouw is gebleven, en de uitwerking ervan in haar grote oeuvre, hoort ze tot de top van de westerse naoorlogse literatuur.

Haasse is een geëngageerd schrijver. Wie bij haar naar opinies zoekt waarover we het allemaal eens zijn ('er moet minder oorlog zijn’ en 'het kapitalisme deugt niet’) komt natuurlijk bedrogen uit. Dat is het nep-engagement van het prettige gevoel altijd en eeuwig op de juiste paarden te wedden. Dat is het engagement waarmee altijd anderen de schuld van de wanhoop krijgen. Bij Haasse tref je het engagement van de verwarring aan, van het duister, van het magische en onherbergzame, daar vind je slinkse paden en omwegen, daar vind je de stille humor, die veel doeltreffender is dan de vette grap ten koste van anderen, daar vind je, bijvoorbeeld in haar historische romans, de rehabilitatie van wat vergeten dreigt te worden, daar vind je een wereld naast deze wereld en niet een flauwe afspiegeling ervan. Haasse liep nooit in de pas van de massamedia, ze deed niet mee, zoals zoveel andere schrijvers, ze morrelde eraan, ze was een scharrelaar, ze formuleerde tegengeluiden.

Ze had niks met dat schreeuwschreeuw-feminisme. Maar ondertussen. Haar vrouwelijke personages beelden altijd haar opvattingen uit over de verschillen tussen man en vrouw. En over de beelden daarvan die in de westerse literatuur rondspoken, hierboven noemde ik het al. Ze werkte met de archetypen van de vrouw als al of niet kwaadaardige Fee en de vrouw als verzorgende Ganzenhoedster, ze introduceert deze begrippen in een gesprek met Anthony Mertens in Retour Grenoble (2003). Haar vrouwen zoeken een weg tussen de Fee en de Ganzenhoedster, ze moeten altijd opboksen tegen de mannelijke blik die haar het liefst ziet als Fee. Het gaat in haar romans om de mannelijke blik en de gevolgen daarvan voor het zelfbeeld van vrouwen. Vrouwen voeren in haar romans altijd strijd om 'mens’ te mogen zijn en niet een apart wezen. Ze schreef uitvoerige essays over vrouwbeelden in de literatuur en maakte bijvoorbeeld volkomen terecht gehakt van de vrouwbeelden van schrijvers als Hermans, Claus, Mulisch, Wolkers en Campert, die de vrouw alleen zien als 'belichaming van de vaak als bedreigend en bedrieglijk ervaren seksualiteit (…) Zij verschijnt als seksuele vijandin, als castrerende moeder.’ Ze schreef verschillende romans over de problematiek van de oudere samenlevende man en vrouw, een thema waar in Nederland op neer wordt gekeken. Hier lees je alleen meestal zelfmedelijdende romans over verliefdheid en de gevolgen ervan voor jonge, spannende en mooie mensen, nooit over de tragiek of het geluk van man-vrouw-verhoudingen na de verliefdheid. Dat is niet sexy, daarmee haal je de glossy’s en de televisie niet. Ze verdedigde met vuur de latere romans van W.F. Hermans, omdat hij het aandurfde onder meer de samenleving van de oudere man en vrouw aan de orde te stellen.

Wat een mooie meid was het! Hebben jullie wel goed gekeken naar haar foto’s door de jaren heen? Altijd maar strijden tegen al die mannelijke blikken die haar wel begeerden maar niet serieus wilden nemen. Snappen jullie het wel? En wat een mooie meid bleef het toen ze oud werd. Ik zag haar voor het laatst toen ik haar mijn roman De keizer en de astroloog bracht, op een middag vlak voor de presentatie ervan in 2008. Mijn vrouw was erbij en Patricia de Groot, haar redacteur. Ze was vrolijk, dankbaar en natuurlijk nieuwsgierig, ze vertelde over haar ontmoetingen met Simon Vestdijk. En na een tijdje kwam de champagne op tafel. Ze had voor deze gelegenheid een fles dure champagne laten aanrukken en in de ijskast gelegd. ’s Middags champagne drinken met Hella S. Haasse. Ik blijf voor eeuwig champagne met haar drinken.


Beeld: (ANNIE ROMEIN / MAI / HH)