In memoriam hendrik pieter van leeuwen, 1911-1995

‘GELEGENHEID OM afscheid te nemen’, staat er soms op een rouwkaart. Zelfs als het om vrienden gaat is er dan dikwijls aarzeling, uit vrees dat het vaarwel de herinnering verstoort. Maar H. P. van Leeuwen - naar laatste wens opgebaard in eigen huis aan de Vinkeveense Plassen - leek, hoewel verstild, nauwelijks veranderd. Gebruind, tanig als altijd, voornaam. Een dag later werd hem op Westerveld de laatste groet gebracht. Familieleden en vrienden, De Groene van toen vertegenwoordigd door Opland, Wim Alings, Tjeerd Dijkstra.

Van Leeuwen, 31 jaar Groene-directeur, verliet het weekblad in 1978. Zeventien jaar is voldoende om in de vergetelheid te raken. Honderdjarigen hebben meer geschiedenis dan geheugen.
Van Leeuwen. Planter in Nederlands- Indie, als kampgevangene gered door de trouwring waarvoor hij eten kreeg en de atoombom die een eind aan de oorlog maakte. Terug in Nederland werd hij in 1947 door Rients Dijkstra weggeplukt bij het Tuschinski om Groene-directeur te worden. Na geruzie om de aandelen en een bijna-fusie met Vrij Nederland stond De Groene aan de rand van het faillissement. Van Leeuwen, benoemd om de krant financieel op orde te brengen, schrapte alles wat naar luxe zweemde, al bleven de feesten - daverend soms - en de wekelijkse medewerkersborrel. Van Leeuwens eigen inkomen was bescheiden, redactiesalarissen gingen naar een niveau dat later minimumloon zou heten: ‘Het gaat er niet om wat je hier krijgt’, zei hij mopperende jonge redacteuren soms, 'maar om wat je later kunt verdienen omdat je hier hebt gewerkt.’ De medewerkers kwamen er niet beter af, met honoraria die nauwelijks voldoende waren voor papier, linten en onderhoud van de schrijfmachine. De krentenweger bepaalde de norm en schraalhans was keukenmeester.
Van Leeuwen kreeg De Groene zakelijk overeind. Dank zij zijn rigide begrotingsdiscipline en dank zij de redacteuren en medewerkers die, soms omdat zij bij De Groene naam konden maken, maar vooral omdat ook zij de krant wilden behouden, met hun schriele beloning genoegen namen. Ook dank zij de medewerking van de directie van het toenmalige Algemeen Handelsblad. Zulke uitgevers bestonden destijds: courantiers, geen handelaren in bedrukt papier, mensen die journalistieke identiteit voor belangrijker hielden dan winstmaximalisatie. Telkenjare onderhandelden ze over de druktarieven met Van Leeuwen, een beetje ironisch glimlachend waarschijnlijk over een directeur van een noodlijdend weekblad, die zich het air kon aanmeten als representeerde hij de Nederlandse Bank. Maar lage tarieven gunden zij hem jarenlang, uit ontzag voor zijn hardnekkige vasthoudendheid en bewondering voor het instituut dat hij echt vertegenwoordigde.
Van Leeuwen was niet minder vergroeid met de krant dan redactie en medewerkers, en meer nog misschien dan de jonge redacteuren die later kwamen en hem soms met geamuseerde verwondering gadesloegen. Een onbetaalbare directeur was hij, en de beste abonnee: hij las De Groene sneller en meestal grondiger dan de redactie, zelfs later toen hij een tijdlang nagenoeg blind was. En dat niet alleen omdat hij, tot redactionele ergernis soms, met de cicerolat in de hand berekende welk deel van hun salaris de redacteuren in millimeters tekst hadden waargemaakt. Hij las de krant vooral uit oprechte belangstelling voor wat zich in politiek en kunst ontwikkelde, om zijn eigen oordeel, gefundeerd op kennis en belezenheid, te toetsen aan dat van redactie en medewerkers.
Hij was het regelmatig oneens met wat de redacteuren schreven. Slechts zelden liet hij zich tot een debat daarover verleiden. Directie en redactie hadden elk hun eigen verantwoordelijkheid en zo moest het blijven. Zo weinig mogelijk ook werd de redactie daarom geinformeerd over de meestal weinig florissante ontwikkeling van het abonneebestand. Brieven van lezers die op inhoudelijke gronden hun abonnement beeindigden, werden de redactie naar vermogen onthouden. 'Een lezer die het niet met de inhoud van de krant eens is, moet dat de redactie doen weten. Maar wie z'n abonnement opzegt gaat die dialoog uit de weg en zet de redactie zakelijk onder druk. Daarvan moet de redactie gevrijwaard worden, want anders is het haar onmogelijk haar werk in onafhankelijkheid te doen.’
Van Leeuwen bleef ruim dertig jaar directeur. Zeventien jaar na zijn afscheid is de krant aan de vijfde opvolger toe. Er zijn blijkbaar bijzondere eigenschappen nodig, en de onwrikbare steun van het thuisfront, om het in die functie lang vol te houden. Van Leeuwen had het allemaal: steun van zijn Anna, liefde voor de krant, emotionele betrokkenheid bij redactie en medewerkers, hardheid - voor zichzelf vooral, en zonodig voor zijn omgeving -, een tikkeltje ijdelheid.
Het is voor De Groene van nu te lang geleden om Van Leeuwens heengaan te ervaren als een smartelijk verlies. Dat droeve lot is weggelegd voor de vrouw met wie hij bijna zestig jaar gelukkig getrouwd was. Maar ook de huidige Groene zal de directeur, zonders wiens inzet de krant al decennia geleden verdwenen was, in dankbaarheid gedenken.