Weemoed en monterheid

In Memoriam Jan Eijkelboom (1926-2008)

Vertalen typeerde hij wel als ‘in hoge mate een vorm van kannibalisme’, tegelijkertijd omschreef hij het als ‘een act van nederigheid’.

Voor J. Eijkelboom, die als vertaler John Donne, W.B. Yeats, Derek Walcott, Philip Larkin en vele andere dichters een stem gaf in het Nederlands, zal het een rare gewaarwording zijn geweest om te zien hoe zijn eigen poëzie zich door andere dichters eigen werd gemaakt. Dat gebeurde tijdens het Poetry International Festival van 2002, waar een vertaalproject aan zijn poëzie was gewijd.

Als dichter debuteerde Eijkelboom pas laat: toen hij de vijftig al gepasseerd was verscheen Wat blijft komt nooit meer terug (1979). De bundel werd lovend ontvangen. Er volgde een heel oeuvre, dat in 2002 verzameld werd onder de nuchtere titel Tot zover.

Zijn onderwerpen vond Eijkelboom in herinneringen – ‘Een herinnerde zomer is altijd mooier dan de zomer waarin je leeft’ –, in zijn woonplaats Dordrecht en het omringende landschap – veel rivieren zijn er in zijn poëzie te vinden –, en in wat hij zomaar zag op straat.

Hij verwoordde het in heldere gedichten, met vaak een licht weemoedige toon, een toon die zelden zwaar werd, omdat hij er altijd een soort monterheid aan paarde.

Voordat hij zich geheel aan het vertalen en schrijven van poëzie zette, was hij lange tijd journalist. Hij schreef voor onder andere Vrij Nederland, Het Vrije Volk en De Dordtenaar. En ergens lijkt de journalist Eijkelboom nooit geheel verdwenen te zijn. Zijn gedichten hebben soms wel iets van journalistieke notities. Observaties en gedachten die bovenkwamen tijdens wandelingen, of die hij zittend op de kade van de Merwede soms even vlug in potlood lijkt te hebben gemaakt om niet te verliezen en later uit te werken. Maar in hun schijnbare terloopsheid leverden die notities vooral rake schetsen en beeldende poëzie op, zie bijvoorbeeld dit gedicht uit Heden voelen mijn voeten zich goed (2002):

Dat onstuitbare

Houden ze zich aan elkaar overeind?

Hoe dan dat onstuitbare te duiden

van hoe zij voortgaan, voetje voor voetje

weliswaar, maar vastberaden.

Al wordt dat weer gelogenstraft

door haar verdwaalde halve lach

waarnaast zijn fonkelnieuw gebit

het zonlicht evenaart.

Hij heeft nog alles voor haar over:

haar tasje bungelt

aan zijn reusachtige hand.

In 2001 verscheen Het krijgsbedrijf, waarin Eijkelboom zijn ervaringen uit de jaren veertig optekende, toen hij als militair betrokken was bij de politionele acties in Indonesië.

Eijkelboom was al ereburger van Dordrecht toen hij in 2001 de eerste stadsdichter werd. De titel van zijn debuutbundel is aangebracht op het Damiatebolwerk in de stad.

Voor zijn werk werd hij onderscheiden met onder meer de Anna Blamanprijs, de Jan Campertprijs en de Herman Gorterprijs. In 2001 ontving Eijkelboom voor het gedicht Rafels een van de Gedichtendagprijzen. Het is een van de mooiste gedichten die ik ken. In enkele strofes verglijdt het langzaam van weemoedigheid naar onttovering, om dan te komen met de ontnuchterende slotregels:

Doodgaan behoort tot het zeer weinige
dat niet zou mogen. Toch
wordt het veel gedaan.

Nu dan door hemzelf. Maar wat blijft is zijn poëzie.