Meer dan een filmster

In memoriam John Arthur Gielgud (1904-2000)

Wie de necrologieën las die in de Nederlandse kranten verschenen over de onlangs overleden acteur en regisseur John Gielgud, moet stellig de indruk hebben gekregen dat-ie uitsluitend filmster was. Maar Gielgud was in de allereerste plaats toneelspeler, de eerste jonge Hamlet in de Engelse theatergeschiedenis. Acteurs «wachtten» over het algemeen tot na hun veertigste voor ze de titelrol in het stuk-der-stukken aandurfden, Gielgud speelde Hamlet voor het eerst toen hij 25 was, bij de Londense Old Vic. Revolutionair was zijn snelheid in de rol, «alsof de voortrennende gedachten van Hamlet de motor zijn voor de tekst», schreef een criticus. Gielgud werd meteen een shooting star. Spoedig werd hij rijp bevonden om Shakespeare naar het commerciële Londense West End te brengen, waar hij opnieuw schitterde in Hamlet, in 1934. Een van de Gielgud-anekdotes stamt uit de repetities van deze productie. Gielgud, die ook regie voerde, zei al snel tegen medespeler Alec Guinness: «Ga weg! Neem acteerlessen alstublieft! Ik weet nog wel een goede leraar. Verdient die ook nog wat geld.» Ze zijn altijd vrienden gebleven. Een West End-theater nam in 1935 Romeo and Juliet op het repertoire. Voor de productie werd een nieuweling in het Shakespeare-repertoire gecontracteerd: Laurence Olivier. Gielgud en Olivier zouden afwisselend Romeo en diens vriend Mercutio spelen. De voorstelling lanceerde Olivier niet alleen als klassiek acteur maar ook als eeuwige rivaal van Gielgud. De verschillen tussen de twee Romeo’s konden niet groter zijn, schreven de kranten: «Olivier was in love with Juliet, Gielgud with the romance of the verse. » De relatie tussen Laurence Olivier en John Gielgud bleef hun leven lang (Olivier stierf in 1989) gekenmerkt door een stiff upper lip, dus: zeer gereserveerd. Heel anders lag dat met Ralph Richardson (1902-1983), de laatste van «de grote drie » Engelse toneelgiganten, met wie John Gielgud op en buiten het podium een hartelijke verstandhouding onderhield. Samen met Richardson betrad Gielgud in de jaren zeventig het voor hem onbekende terrein van de avant-gardeteksten. In 1976 speelden ze samen in Harold Pinters No Man’s Land bij het National Theatre in Londen (regie: Peter Hall). In dit inferno voor de aan lager wal geraakte en aan alcohol verslaafde, gelauwerde dichter Hirst (toentertijd gezien als een inktzwart portret van W.H. Auden, een magnifieke rol van Richardson) speelde John Gielgud de sjofele zondagsdichter Spooner, Hirsts Mefistofeles. Die rol is de enige die ik van Gielgud op het toneel heb gezien, en hij maakte destijds een verpletterende indruk. Hij sprak een soort jennerig langzaam Oxford-Engels, zijn mise-en-scène leek een kruising tussen onhandig huppelen en dansen (door zijn eerste leraar op de toneelschool ooit omschreven als: «He walked like a cat with rickets» - als een kat met rachitis). Gielguds tekstbehandeling was fenomenaal, door medespeler Ralph Richardson afdoende beschreven met de woorden: «John Gielgud is a great conductor of his own music.» Een bittere confrontatie tussen de homoseksueel John Gielgud en het Victoriaanse Engeland vond plaats in de herfst van 1953. In de nacht van 20 oktober werd Gielgud gearresteerd voor «importuning», een eufemisme uit het Britse strafrecht voor het lastigvallen van jonge mannen. In het proces-verbaal probeerde hij anoniem te blijven, maar tijdens de rechtszitting hoorde een journalist van de Evening Standard «the famous voice». De krant kopte: «John Gielgud beboet: See the doctor the moment you leave here.» Het incident werd een zwarte bladzijde in Gielguds carri ère. Een nieuwe voorstelling met hem was pas in 1954 voorzien, Hunters A Day by the Sea, een middelmatige Tsjechov-pastiche. Na een tournee door de provincie was de Londense premi ère gepland in Haymarket Theatre. Er waren veiligheidsagenten bij de artiesteningang geposteerd, Gielguds manager had zelfs mensen ingehuurd om het applaus aan te moedigen, iedereen was bang voor een publiek schandaal. Gielgud zei tegen een medespeler: «Als ik opkom moet je snel doorpraten, er kan wat onrust in de zaal ontstaan.» Na Gielguds opkomst werd de productie stilgelegd door een minutenlange ovatie. In de Londense homoseksuele subcultuur werd de «affaire-Gielgud» minder prettig ontvangen. «Hij heeft het voor ons allemaal verpest», was de veelgehoorde opvatting. Een van Gielguds ex-lovers verbrandde alle brieven. Uit angst. In 1988 stopte John Gielgud met toneelspelen en trad nog slechts op in films, met Alain Resnais’ Providence en Peter Greenaways Prospero’s Books als hoogtepunten. Een jaar geleden overleed zijn vriend Martin Hensler, met wie Gielgud al 35 jaar leefde. Sindsdien leek hij er geen zin meer in te hebben. Hij bleef echter acteren, in lowbudgetfilms, voor televisie - als-ie niet kon werken lééfde Gielgud niet. Op 14 april van dit jaar stond hij voor het laatst voor de camera, in een televisieproductie van Catastrophe, een tekst van Samuel Beckett, de auteur die hij altijd weigerde te spelen omdat hij zijn stukken zo «awfully pessimistic» vond. Hij begreep er, ook na de uitleg van regisseur David Mamet, niks van. Het was een zwijgende rol en Gielgud acteerde, aldus medespeler Harold Pinter, «met die onwaarschijnlijke, aangeboren waardigheid» die hem zo kenmerkte. Bij een andere opname had hij zijn enkel gebroken. Hij omschreef zijn toestand de laatste tijd met de tongue-in-cheek-humor die ook bij hem hoorde: «I’m always stiff in the mornings… but not in the right way.» John Arthur Gielgud stierf op 21 mei jongstleden, een maand na zijn 96ste verjaardag.