In memoriam maarten schakel

Overbekend is Marsmans ‘Herinnering aan Holland’ (‘Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan’). Toch was het niet dit gedicht dat zich bij het aanhoren van Maarten Schakel vaak aan mij opdrong. Dat was het minder bekende gedicht van Marsman dat simpelweg ‘Holland’ heet:

De hemel grootsch een grauw. daaronder het geweldig laagland met de plassen; boomen en molens, kerktorens en kassen, verkaveld door slooten, zilvergrauw.
dit is mijn land, mijn volk; dit is de ruimte waarin ik wil klinken.
Er is de afgelopen dagen veel over Schakel gezegd, over zijn moed in de oorlog, over zijn trouw aan vrienden in hun moeilijkste uren, over zijn oratorisch talent, over zijn herkenbaarheid als ‘laatste der mannenbroeders’, zoals hij ook zichzelf (niet zonder koketterie maar wel terecht) in de titel van zijn in 1982 verschenen boek aanduidde. Toch verklaart dit niet waarom er bij zijn overlijden tot ver buiten zijn eigen geestverwante kring met zoveel waardering over hem is geschreven. Wat is het dan wel dat zelfs de politiek zo ver van hem af staande Groene mij als die andere antirevolutionaire Alblasserwaardse polderjongen vroeg iets in herinnering aan hem te schrijven?
Ik denk dat de indruk die zijn optreden in zo brede kring heeft gemaakt, vooral is terug te voeren op de overtuiging die zijn spreken en handelen kenmerkte. Hoe meer de trend werd de waarde van een politicus af te meten aan haar 'uitstralend’ vermogen, aan zijn behendigheid, aan haar plaats in het een of andere 'netwerk’ en aan zijn standpunten van het actuele moment, hoe meer de waardering groeide voor de man die vanuit een vaste, herkenbare, principiële overtuiging sprak en handelde, ongeacht of men zijn politieke standpunten deelde of niet.
Het zegt niet alleen iets over de politicus Schakel maar ook over het actuele politieke bedrijf, dat in menig in memoriam een ondertoon van heimwee doorklonk. Toch stond die overtuiging niet op zichzelf. Zij kon bij Schakel alleen begrepen worden in relatie tot de mensen die hij vertegenwoordigde. Hij was hét toonbeeld van wat Abraham Kuyper 'de zedelijke band tussen kiezer en gekozene’ noemde. Talloos zijn de spreekbeurten die hij hield. Maar die waren niet alleen zo talrijk omdat het anti-revolutionaire volk hem graag hoorde. Het was ook omdat hij niet zonder wisselwerking kon functioneren. Hij laafde zich aan het vertrouwen van zijn kiezers, een vertrouwen dat niet afhankelijk was van instemming met zijn standpunten, maar dat juist tegen verschil in standpunt bestand was. Hij leefde van dat vertrouwen en liet zich erdoor opladen.
Schakels kracht was dat hij voor geen prijs wilde riskeren los van zijn wortels te raken. Daarom wilde hij als burgemeester geen promotie maken (hoewel hij het voor het uitkiezen had), daarom wilde hij geen commissaris van de Koningin worden (hoewel Zeeland hem juichend zou hebben binnengehaald), daarom wilde hij nooit minister worden (al had ieder kabinet hem graag in zijn midden ontvangen, ook het door hem zo vermaledijde kabinet-Den Uyl). Hij wilde dicht bij zijn wortels blijven, want alleen daaruit zoog hij het sap op dat hem deed bloeien. Want daar was het land, daar het volk, daar de ruimte waarin hij wilde klinken.
Als ik de mens Maarten Schakel met een enkel woord zou moeten typeren, dan zou ik zeggen: 'Hard voor zichzelf, mild voor anderen.’ En dat in de politiek, waarin het tegenovergestelde bijna dagelijks waarneembaar is. Er is alle reden, voor medestander en voor tegenstander, hem bij zijn heengaan met respect, met weemoed en niet zonder een ondertoon van heimwee te gedenken.