In memoriam marguerite duras

In het Haagse filmhuis maakte ik voor het eerst kennis met het werk van Marguerite Duras. Het zal 1982 zijn geweest en ik zag Hiroshima mon amour, de film uit 1960 die Duras beroemd maakte. Alain Resnais had haar om een scenario gevraagd omdat hij een manier zocht om aan de geijkte vorm van de documentaire te ontkomen.

Hij hoopte dat de kale, poetische dialogen en monologen waar Duras het patent op had, de toeschouwers zouden hypnotiseren. Inderdaad zogen de stemmen die bij de beelden van het gebombardeerde Hiroshima en de vluchtige geliefden klonken - ‘Tu n'as rien vu a Hiroshima. Rien’ - mij volkomen op. Het zou een ervaring zijn die ik bij de romans - De minaar, De pijn, Moderato cantabile, De vervoering van Lol V. Stein, Zwart haar blauwe ogen - die ik las na het zien van de film telkens weer had. Ik ken geen proza dat in zulke opperste eenvoud is geschreven en tegelijk zo'n emotionele lading en haast hallucinerende werking heeft.
In een van de interviews naar aanleiding van De minnaar zei Duras dat het haar onvoorstelbaar lijkt om een werkelijk grote en waarachtige roman te schrijven die niet over jezelf gaat. Duras’ boeken laten zich dan ook lezen als een lange reeks variaties op een beperkt aantal thema’s en motieven die voor een groot deel teruggaan op jeugdervaringen.
Duras schreef voor het eerst over haar lotgevallen in de voormalige Franse kolonie - ze werd daar in 1914 geboren en bleef daar tot haar zeventiende - in Un barrage contre le Pacifique in 1950. Ze schreef daarin al over het vroege overlijden van haar vader, de ontreddering van het gezin en haar eigen wanhoop. In diverse romans, onder andere in De minnaar uit 1984, keerde ze terug naar die tijd en verhaalde ze over de liefdesrelatie die ze als jong meisje had met een veel oudere Chinees. Hoe gepassioneerd die liefde ook was, door de heersende koloniale vehoudingen was ze volstrekt onaanvaardbaar.
Duras schreef in feite steeds weer hetzelfde boek over de onmogelijkheid van de liefde, de nieuwe tekst vertelde de oude verder waardoor er van een oorspronkelijke tekst nooit sprake was. Op een bewonderenswaardige manier probeerde ze met alle intensiteit het moment zelf opnieuw te beleven, opnieuw alle gevoelens van pijn, haat en liefde te ondergaan. Telkens dook ze weer de herinnering in omdat ze, zoals ze zelf zei, niet aan het vergeten kon wennen en een hoofd had als een zeef.
Haar verhaal werd steeds abstracter en minimaler verteld. Waren het aanvankelijk maatschappelijke conventies die maakten dat de liefde onmogelijk was - de regels die in de kolonie golden, het standsverschil in Moderato cantabile, de minnaar die tot de vijand behoort in Hiroshima mon amour -, in teksten als Zwart haar blauwe ogen, De ziekte van de dood en Agatha is de liefde tussen man en vrouw op zich tot mislukken gedoemd. De heftige omhelzing wordt daarin onvermijdelijk gevolgd door de afstand, liefde en lijden gaan consequent hand in hand. Niettemin is de passie bij Duras altijd even wanhopig als absoluut.
Behalve door de liefde was Duras gegrepen door de dood. De passie dreef haar personages ook vaak tot moord, tot een crime passionnel of tot zelfmoord. Ze flirtte zelf met de dood door ongehoord veel whisky te drinken: het maakte dat ze in 1988 vijf maanden in coma lag. Op wonderbaarlijke wijze wist ze uit de coma te herrijzen. Ook daar schreef ze over, in Yann Andrea Steiner. Ze kan, nu ze daadwerkelijk is gestorven, haar herinneringen niet meer herschrijven, de lezer kan gelukkig herlezen en zich steeds weer laten hypnotiseren.