Geschiedschrijver van de elite

In memoriam Noel Annan (1916-2000)

Toen de Majesteit nog een prinsesje was, liet ze zich tijdens een cruise met andere royalty ontvallen dat ze het heerlijk vond weer eens onder ‘ons soort mensen’ te zijn. Het moet geweldig zijn om tot een elite te behoren. Het besef deel uit te maken van een kleine groep geprivilegieerden, waar de rest van de bevolking tegen opkijkt en jaloers op is. In het egalitaire Nederland zitten we alleen niet zo ruim in onze elites. Je hebt natuurlijk nog wat restanten adel, en het 'oude geld’, maar dan houdt het ook wel op. De met beursspeculaties snel rijk geworden patjepeeërs en de aanstormende dotcom-maffia kunnen we moeilijk als een elite beschouwen. Nee, dan Engeland, daar stelt niet alleen de adel veel meer voor en hebben de bankiers uit de City veel meer standing dan hun Hollandse collegae, maar heb je bovendien ook nog een intellectuele aristocratie. Het zijn merendeels mannen die na hun jaren op de public school hebben gestudeerd in Oxford of Cambridge, of desnoods aan de London School of Economics, en die vervolgens sleutelposities innemen in academische kringen, de media, het overheidsapparaat, of het bedrijfsleven.

De onlangs overleden Noel Annan was de belangrijkste geschiedschrijver van deze intellectuele elite. In 1956 publiceerde hij het baanbrekende essay 'The Intellectual Aristocracy’, waarin hij het netwerk beschreef van een aantal middle-class-families die samen het intellectuele leven van het negentiende-eeuwse Engeland domineerden. Dit artikel is herdrukt in het, eind vorig jaar verschenen, laatste boek van Annan, The Dons. In deze bundel portretteerde hij op subtiele en liefdevolle wijze een groot aantal, niet zelden excentrieke, geleerden. Zijn bekendste boek was het uit 1990 daterende, onvolprezen Our Age: The Generation that made Post-War Britain.

De generatie waartoe de in 1916 geboren Annan behoorde, groeide op en studeerde tussen grofweg 1920 en 1950, en omvatte uiteraard alleen de briljante jongens en meisjes die bovengenoemde onderwijsinstellingen hadden bezocht. De latere (Labour-)politici Roy Jenkins, Tony Crosland en Denis Healey behoorden tot deze generatie, evenals de filosofen A.J. Ayer en Isaiah Berlin en de dichters Stephen Spender en W.H. Auden. Ook Francis Crick en James Watson, die de structuur van het dna blootlegden, behoorden tot Our Age.

De generatie van Annan deelde niet alleen dezelfde (upper) middle class-achtergrond en onderwijsloopbaan, ook wat betreft ideeën over maatschappij en politiek bestond er grote consensus. Ze geloofden sterk in de maakbaarheid van de samenleving, streefden naar geleidelijke hervormingen en waren voorstander van de verzorgingsstaat, ze waren niet-dogmatisch en hadden een grote afkeer van totalitaire ideologieën. Na de Tweede Wereldoorlog zou de combinatie van deze opvattingen en hun, op grond van hun opleiding ‘vanzelfsprekende’ sleutelposities, een stempel drukken op de Engelse samenleving.

Het beeld dat Annan, die in Cambridge studeerde, schetste van zijn generatiegenoten week sterk af van het idee dat de afgelopen decennia is ontstaan, en dat sterk gekleurd is door de onthullingen over de spionageactiviteiten van Cambridge-studenten als Philby, Burgess, Maclean en Blunt. Deze club van marxistische, homoseksuele en extreem arrogante mannen, die ook wel wordt aangeduid als de Homintern, was echter alles behalve representatief. Anders dan voor deze Sovjet-agenten was voor Annan en de meeste van zijn leeftijdgenoten vaderlandsliefde geen loos begrip. Tijdens de oorlog werkte Annan voor de Britse inlichtingendienst en was hij als jong luitenant-kolonel betrokken bij de plannen voor de politieke reconstructie van het naoorlogse Duitsland. In zijn prachtige memoires over deze tijd, Changing Enemies (1995) beschrijft hij de discussies die ertoe leidden dat de Geallieerden Konrad Adenauer kozen als nieuwe leider van Duitsland, in plaats van Kurt Schumacher.

Na de oorlog maakte Annan deel uit van het academische establishment en vervulde hij tal van bestuurlijke functies. Daarnaast was hij jarenlang voorzitter van de raad van bestuur van de National Gallery en bestuurslid van de Covent Garden Opera plus nog een hele reeks culturele instellingen. In 1977 publiceerde hij het beroemde Annan Report over de toekomst van de publieke omroep. Hij beschikte over een enorm netwerk en gold als een van de belangrijkste talent scouts op bestuurlijk en academisch gebied. Toch was hij niet alleen een vergadertijger en lobbyist, maar schreef hij ook nog diverse boeken, artikelen en talloze recensies, vooral voor The New York Review of Books.

De consensus op politiek en maatschappelijk gebied die kenmerkend was voor de generatie van Annan begon in de loop van de jaren zeventig af te brokkelen. Een generatie van merendeels conservatieve, carrièrebeluste jongeren leverde in toenemende mate kritiek op de gematigd progressieve ideeën van de mensen die behoorden tot Annans Our Age. Hoewel Margaret Thatcher wat leeftijd betreft nog net tot de Annan-generatie behoorde, stond ze lijnrecht tegenover de ideeën van deze groep. Veel van de jonge, aanstormende intellectuelen in de jaren tachtig waren fanatieke thatcherites. Annan bezag met lede ogen de daling van het intellectuele peil. Aangezien hij van mening was dat zijn eigen generatie toch al niet in de schaduw van de voorafgaande – die van Keynes, Russell en Wittgenstein – kon staan, zag hij de toekomst van Engeland somber in. Met zijn dood is niet alleen de historicus van Engelands intellectuele aristocratie heengegaan, maar tevens een van de laatste vertegenwoordigers ervan.