In memoriam richard nixon

‘I am not a crook’, vond hij zelf, maar hij heeft het Witte Huis bewoond en daar is het al zeker sinds Kennedy niet pluis meer. Richard Milhous Nixon werd gedreven door haat en angst, kwam aan de macht dank zij demagogie, leugens en smeergelden, en misbruikte die macht om tegenstanders illegaal onderuit te halen.

Tot zover een doodgewone presidentscarriere. Het is Nixons tragedie dat hij erom werd veroordeeld; het is een Amerikaanse tragedie dat de anderen vrijuit gaan.
Nu hij ten grave wordt gedragen, maakt zich van de natie een soort respectvolle rouw meester. Ogenschijnlijk berust die op een herwaardering van zijn politieke verdiensten: de toenadering tot Egypte en China, het wapenbeheersingsakkoord met de Sovjetunie, zijn milieuwetgeving en zijn voedselcoupons voor de armen. In Amerikaanse ogen worden die verdiensten enkel overschaduwd door Watergate, en de meeste Europese Nixon-necrologieen nemen die zienswijze klakkeloos over. Afgezien van die ene inbraak door zijn ‘loodgieters’ is Nixon blijkbaar een groot man geweest.
Vergeten is zijn botte afwijzing van Castro’s verzoeningsgebaar in 1959 en zijn ontketening van de totale CIA-oorlog in Latijns Amerika. Vergeten zijn de kerstbombardementen op Haiphong, de overval op Cambodja in 1970 of de staatsgreep van 1973 in Chili.
Toch kan die blinde vlek de herwaardering van Nixon niet verklaren. Wel schreef hij de laatste jaren nog een paar verstandige boeken, maar voor de graanoogst in de Sovjetunie of het geostrategisch belang van Japan hebben gewone Amerikanen geen oog. Nee, hun verlate sympathie voor de man is bovenal van persoonlijke aard. Nixon was de belichaming van de straatvechter die nooit opgeeft. Hij vertegenwoordigt een generatie die de oorlog na 1945 gewoon voortzette, tegen alles en iedereen, desnoods tegen zichzelf.
Net als captain John F. Kennedy en tailgunner Joe McCarthy presenteerde Nixon zich bij de Congresverkiezing van 1946 als een 'frisse, oprechte jonge Amerikaan die heeft gevochten voor de verdediging van zijn land in de stinkende modder en oerwouden van de Salomon- eilanden’. Dat was niet waar, maar het werkte en zette de toon voor zijn verdere loopbaan.
Hij omringde zich met patsers als benzinepompmiljonair C. G. 'Bebe’ Rebozo en spuitbuskoning Robert Abplanalp. Hij haatte de Oostkust, hij haatte intellectuelen en hij haatte de waarheid. Zelfs voor Watergate toonde hij nooit berouw. In een interview met David Frost in 1977 bevestigde hij nog eens zijn ongeneeslijk caesarisme: 'Als de president iets doet, is het dus legaal.’ Als president was hij klinisch paranoide en ging hij als een overfokte Rotweiler tekeer tegen al wie aan hem twijfelde.
In zijn ogen was Richard Nixon Amerika. De verlate sympathie van de natie kon hem wel eens postuum gelijk geven.