In Memoriam Theun de Vries (I)

In Memoriam Theun de Vries (1907-2005)

Gekoesterde
miskenning

In juni 1991 werd ’s middags om een uur of half zes bij ons in Leeuwarden aangebeld en voor de deur stond Theun de Vries, in gezelschap van Willem Kuipers van de Volkskrant. Ik herinner me nog goed de mengeling van trots en verbazing die zich bij mij vertaalde in grote opgewondenheid, toen het tot me doordrong dat het werkelijk Theun de Vries was die voor mijn neus stond. «Ja, we waren wat vroeger. We dachten laten we maar langs gaan, ik wilde de schrijver van die rare boeken ook wel even in het echt zien.»

Dit meldde hij me vrolijk lachend en het ijs was gebroken. Ik had hem op hoop van zegen uitgenodigd om aanwezig te zijn bij het feestelijke afstuderen van de allereerste student cultuurwetenschappen van de Open Universiteit Nederland, waar ik destijds werkte en die een doctoraalscriptie over het werk van Theun de Vries had geschreven. En de Vries kwam dus. Hij was toen 84, had een zwart pak aan en droeg een curieuze veterachtige das in een zilveren broche die je lang geleden ook wel zag bij countryzangers als Hank Williams en Buck Owens. Ik zie hem nog voor me uit de trap op lopen, kennismaken met mijn vrouw en kinderen. Hoe heb ik hem aan hen voorgesteld? Dit is Theun de Vries? Verbijsterende woorden. Alsof mijn vrouw niet wist wie hij was, ze had net nog zijn grote roman Baron met veel plezier gelezen.

Had hij werkelijk een paar van mijn boeken gelezen? Theun de Vries bij ons over de vloer! De grote schrijver van Het geslacht Wiarda, Sla de wolven herder, Het motet voor de kardinaal, Baron en nog veel meer. We hadden helemaal niet op zijn komst gerekend, hadden pas om half acht ’s avonds met hem in de feestzaal afgesproken, maar Willem Kuipers vertelde dat ze nogal vroeg van huis waren gegaan. Dat werd mee-eten: karbonades, sla en gebakken aardappelen, ook dat weet ik nog. Voor we het wisten was het bijna half acht en moesten we als een haas naar de feestzaal.

Later die avond bracht ik de oude schrijver in de invallende schemering naar de auto waarmee Willem hem naar huis zou rijden. We liepen langzaam door de Prinsentuin, decor van Vestdijks roman De koperen tuin en bij de uitgang hielden we even stil. De Vries keek rustig uit over een stuk omgeploegde grond dat net buiten het park ligt en waar nu appartementen staan. «Hier stond mijn oude lagere school», zei hij. «Ik zie het nog voor me. We waren toen naar Leeuwarden verhuisd, ik was een leergierig ventje.» We zwegen. «Ik denk niet dat ik hier nog een keer terug kom», zei hij. Daar had hij gelijk in, maar een paar jaar later kwam hij toch nog een keer terug naar Friesland. Voor het laatst. Zijn negentigste verjaardag werd met een feestelijke bijeenkomst in zijn geboortedorp Veenwouden gevierd. Er waren toespraken, hij zat er rustig bij, leek het allemaal enigszins berustend over zich heen te laten komen, maar toen iemand een verhaal vertelde over een reisje naar Keulen in de vroege jaren zestig en ook de datum noemde, riep hij keihard door de zaal: «Nee, jongen, dat was een jaar eerder en het was niet in augustus, maar in juli.» Daverend gelach, de oude meester was dus nog zo scherp als een mes. En dat bleef hij.

We hadden de laatste jaren, sinds die eerste ontmoeting, af en toe contact. Ik bezocht hem een keer bij hem thuis, waar hij vertelde dat andere jonge Nederlandse schrijvers (schrijvers waren in zijn ogen altijd jong) als P.F. Thomése hem ook wel bezochten. Voor de aardigheid, leek hem, maar volgens mij toch ook als eerbetoon aan deze grote schrijver. Daar vertelde hij hilarische verhalen over het vele geld dat hij met zijn reusachtige oeuvre in het voormalige Oostblok was misgelopen. Miljoenen boeken werden daar van hem verkocht. Hij was behoorlijk in, zijn meeste werk was niet verboden, al werden wel de meer gepeperde seksscènes geschrapt, maar van auteursrecht hadden ze daar na de Tweede Wereldoorlog nooit gehoord. Of ze deden alsof en gaven de ene roofdruk na de andere uit. Maar spijt had hij er niet van, voor het geld had hij nooit geschreven.

Spijt had hij van andere dingen. Dat hij te lang aan het Russische communisme vast was blijven zitten, dat hij oude kameraden als Gerben Wagenaar en Henk Gortzak die in de jaren vijftig, ook door hem, uit de CPN waren gezet, daarna nooit meer had gesproken, dat hij ze niet meer had kunnen vertellen hoe erg hem dat dwars zat. En over zijn miskenning in Nederland, ook dat zat hem dwars, al probeerde hij zich er niet meer zo druk over te maken. Het bleef aan hem knagen. Af en toe stuurde ik hem een kaartje of een gedicht. En dan schreef hij terug, altijd met de hartelijke groeten aan mijn vrouw.

De afgelopen jaren liet ik niks meer van me horen. De laatste keer was in 1999, toen ik voor dit blad een artikel schreef over de Friese dichter Douwe Tamminga, waarin ik beweerde dat diens prachtige gedicht In Memoriam (1975) nooit in het Nederlands vertaald was en dat het nu toch wel eens tijd werd. Een vriend vertelde dat Theun de Vries dit gedicht direct in het Nederlands had vertaald. Ik schreef De Vries er een briefje over, met gevoelens van spijt en hoogachting erin en per kerende post stuurde hij de vertaling: er was een apart boekje van gemaakt.

Theun de Vries is dood. Waar is zijn werk? Bij mij in de kast staan 21 boeken van hem, grote en kleine werken, van alles. Meesterwerken als Het motet voor de kardinaal, Baron en Sla de wolven herder. Of het prachtige, tamelijk recente Het hoofd van Haydn (1992) en de dikke pil uit 1994 Terug uit Irkoetsk. Het geslacht Wiarda, misschien zijn beroemdste werk, heb ik niet eens meer, uitgeleend, en waar staat die geschiedenis over de Ketters? En het zeer geslaagde WA-man (1944)? Dat moet ik toch ook ergens hebben. Wel weer drie exemplaren van zijn schitterende boekenweekgeschenk uit 1966: Het zwaard, de zee en het valse hart.

Maar waar is zijn werk in Nederland? Pas de laatste vijftien jaar begint door te dringen dat het werk van deze in de grond stille en bescheiden man hoort tot de grote wereldliteratuur. Zijn keuze voor het communisme deed hier in de spraakmakende literaire we reld tot diep in de jaren tachtig de deur potdicht, De Vries was not done. De toon daarvoor werd gezet door een artikel van W.F. Hermans in Mandarijnen op zwavelzuur (1966) waarin hij De Vries’ keuze voor het communisme nog maar eens belachelijk maakte, en tussen neus en lippen door diens hele literaire werk, waarschijnlijk zonder er ooit een letter van te hebben gelezen, bij het vuil zette. Ik heb het er voor deze gelegenheid bijgehaald en het verbaasd gelezen. De brallerige puberale toon is nauwelijks nog te verteren, al brengt Hermans halverwege zowaar toch nog enige waardering op voor een studie van De Vries over Nijhoff («Kijk, kijk, een vrij behoorlijk artikel uit zijn pen!»). Verder geeft Hermans geen enkele inhoudelijke beschrijving van De Vries’ overige werk, noemt hem alleen twaalf keer smalend schrijver van «historische romans en boerenromans» en suggereert keer op keer dat hij daar wel schatrijk van geworden zal zijn. Van een debat over het werk is geen sprake.

Hermans’ enige argument tegen het werk van De Vries is de steeds herhaalde, smalende omschrijving ervan, geen toelichting, geen bewijs. Blijkbaar rekende Hermans erop dat wij het werk van De Vries ook niets zouden vinden als hij maar vaak genoeg zei dat het niets was. Dit artikel zette lange tijd de toon bij toonaangevend literair Nederland. En ook nu nog slaan de stoppen van bewondering meestal door wanneer Hermans’ vroege polemische werk aan de orde komt. Dat was nog eens polemiek! Zo helemaal zonder argumenten! Zo goed geschreven! Critici hielden op De Vries’ werk te lezen of zetten het eenvoudig weg als «plat sociaal realisme» en vertellersliteratuur van een dilettant die veel te weinig «experimenteel» zou zijn. De Vries deugde niet en bleef niet deugen, ook niet toen in het begin van de jaren zeventig aan een paar universiteiten een sterk op het marxisme georiënteerde literatuur beschouwing van de grond kwam.

Schrijvers als Vogelaar en Offermans wezen zijn werk af. Offermans verwierp zijn ambitieuze roman Baron omdat die niet vernieuwend zou zijn, waarbij hij over het hoofd zag dat juist deze roman in het oeuvre een nieuwe weg in sloeg. De Vries creëerde een held die geen brandpunt meer was van maatschappelijke bewegingen, zoals in veel eerder werk, maar een dubbelzinnig, vitalistisch figuur die vergeefs tegen dood, verloedering en afbraak streed. Besprekers van De Vries’ werk, voor zover ze dit lazen, bleven hardnekkig steeds dezelfde argumenten tegen zijn werk inbrengen, waarbij ze zich beriepen op altijd door iedereen herhaalde meningen die teruggingen op nauwelijks uitgewerkte literatuuropvattingen van Ter Braak en later dus Hermans. Het was te «vertellend», te «plat» en niet «origineel». Argumenten en analyses ho maar. Zo werkt dat in het kippenhok van de literaire kritiek: eens fout, altijd fout, daar helpt geen lieve moedertje aan.

Tot op het laatst bleef ook zijn literaire stijl niet onomstreden. Kees Fens noemt die stijl in zijn overigens verrassend waarderende herdenkingsstuk in de Volkskrant van 22 januari nog maar eens «zelden oorspronkelijk en ge vormd naar een algemeen taal gebruik dat gemeenplaatsen niet schuwt». Hij vergelijkt de stijl van De Vries met die van Vestdijk, en laat Vestdijk er met de erepalm vandoor gaan.

En zo gaat het altijd in beschouwingen over het werk van De Vries. Nooit vindt men stijlanalyses waarin wordt gespeurd naar het «eigene» van De Vries’ literaire stijl en naar de effecten die hij ermee wilde bereiken. Algemeen taalgebruik dat het algemene niet schuwt, dat kun je bij Vestdijk uiteraard ook terugvinden. Het gaat om het beste van een werk van een schrijver, daar waar hij zijn bedoelingen het scherpst en het meest specifiek krijgt geformuleerd. Je kunt met het grootste gemak duizenden citaten uit het werk van De Vries geven waarin zijn impressionistische, precieze, ritmisch golvende en breed uitwaaierende stijl het werk in een overtuigende gloed zet.

Theun de Vries werd miskend, en hij wist zich miskend. Hij voelde zich in de literaire kritiek daadwerkelijk onheus behandeld, bleef dit toeschrijven aan zijn communistische verleden, waar hij toch werkelijk allang afstand van genomen had, al kun je dat in Nederland niet nederig, lang en vaak genoeg doen. Zelfs toen er van officiële literaire zijde erkenning begon te komen — in 1962 kreeg hij de P.C. Hooftprijs — bleef hij die miskenning met zich meedragen. Je kunt zeggen dat hij haar koesterde. Hij wist zich niet alleen een buitenstaander in de Nederlandse literaire wereld, hij wilde dat ook blijven. En dus voelde hij die miskenning altijd ook als een bewijs van zijn kunstenaarschap. Een kunstenaar móest in zijn ogen altijd afstand houden van wat men om hem heen spraakmakend en belangrijk vond. Erkenning van kunstenaarschap door de burgerlijke goegemeente vatte hij op als een belediging, wat dit betreft bleef hij een aanhanger van een romantische kunstopvatting.

Zijn beste boeken gaan over kunstenaars, over zichzelf dus, over Jeroen Bosch, Haydn, Van Gogh, Josquin Deprez, Rembrandt, Molière, Torren tius, Puccini, noem ze maar op. En altijd zijn het buitenstaanders, speelbal van de geschiedenis, die vergeefs proberen vat op de geschiedenis te krijgen. Met de Nederlandse literaire wereld be moeide hij zich al lang niet meer, al kroop het bloed toch nog een keer waar het niet gaan kon. In De Groene Amsterdammer van 17 februari 2001 schreef hij een vermakelijke kritiek over Siegfried, een curieus boekje van Harry Mulisch waarin Mulisch Hitler nog maar eens omschreef als «het grote Niets» van de wereldgeschiedenis. Met veel gevoel voor ironie, en tussen de regels door toch ook waardering voor het oeuvre van deze spraakmakende collega, vroeg Theun de Vries zich af of Mulisch’ terminologie toch niet in hoofdzaak neerkwam op «verfijnde Spielerei». Ongeveer het ergste wat schrijven in De Vries’ ogen kon zijn.