In mobutu’s voetspoor

ZE BEHOREN tot die typisch Afrikaanse, op taal en mythische verwantschap gebaseerde groepen die zich nooit lieten vangen binnen koloniale grenzen of in de quasi-wetenschappelijke termen van missiepaters en etnologen. Volgens sommige deskundigen vormen ze niet eens een apart volk, de ‘mensen van de Mulenge-heuvel’ in Oost-Congo. Toch schrijven de Banyamulenge voor de tweede maal in korte tijd een nieuw hoofdstuk in de Afrikaanse geschiedenis. Net als twee jaar geleden komen ze uit lijfsbehoud in opstand tegen het gezag in Kinshasa.

En net als toen bedienen ze zich van buitenlandse hulp en binnenlandse dissidente politici om hun doel te bereiken: de installatie van een nieuwe regering die hun aanspraken op grond en regionale zelfstandigheid erkent. Die parallel is des te opmerkelijker omdat uitgerekend hun huidige vijand, president Laurent-Désiré Kabila, dankzij hun vorige opstand aan de macht kwam.
Over de Banyamulenge is weinig bekend. Officiële schattingen van hun aantal variëren van tweehonderdduizend tot een half miljoen. Ze spreken Rwandees en noemen zich Tutsi’s, de mythische benaming waarmee de heersende kaste van veetelers rond de Grote Meren zich vanouds onderscheidt van de landbouwende Hutu’s. Voor zover bekend vestigden zij zich in de loop van de vorige eeuw in de oostelijke gebiedem van Congo, maar erg duidelijk zijn de kronieken niet. Waarschijnlijk hing hun migratie samen met de overbevolking van het dorre Rwanda. Zeker is dat de Belgen in de jaren dertig nog meer Tutsi’s uit Rwanda haalden om hen te werk te stellen op de koffieplantages in de oostelijke provincie Kivu en in de mijnen van het zuidelijke Katanga.
Hoewel zij zich dus in verschillende fasen in Kivu vestigden met de bedoeling om er te blijven, werden al deze ‘Banyarwanda’ (Rwandeestaligen) door de Belgen over één kam geschoren en behandeld als gastarbeiders. Pas na de Zaïrese onafhankelijkheid in 1960 verwierven de Banyarwanda tegelijk met de overige inwoners van Kivu het staatsburgerschap. Tot in de jaren zeventig werden ze door president Mobutu zelfs bevoordeeld ten koste van de overige bevolking van Kivu, maar in 1981 vielen zij in ongenade en werd hun het staatsburgerschap weer ontnomen. In het kader van zijn etnische verdeel-en-heerspolitiek vond Mobutu het wenselijk om toenadering te zoeken tot de oorspronkelijke bewoners, de Hunde, die met scheve ogen naar de rijkdom en politieke invloed van de Banyarwanda keken. Uiteraard veroorzaakte het verlies van de Zaïrese nationaliteit grote woede en onzekerheid bij de Banyamulenge.
DE SPANNINGEN namen toe na de Rwandese genocide van 1994. Meer dan een miljoen Hutu’s overspoelden de provincies Noord- en Zuid-Kivu op de vlucht voor het door Tutsi’s geleide Rwandees Patriottisch Front (RPF). Onder hen waren 30.000 soldaten van het voormalige Rwandese leger en twintigduizend Hutu-milities, de Interahamwe. Deze militairen, die rechtstreeks betrokken waren geweest bij de genocide, hadden niets te verliezen. Ze vestigden zich in vluchtelingenkampen vlak bij de grens, trokken alle macht in de streek naar zich toe en misbruikten de internationale humanitaire hulp om zich te verrijken of om hun gewapende terugkeer naar Rwanda voor te bereiden.
Halverwege 1995 registreerden waarnemers van de Verenigde Naties de eerste Hutu-invallen in Rwanda. De Zaïrese autoriteiten, die niet langer baas waren in hun eigen provincie, kozen op aanwijzing van Mobutu de kant van de Hutu-milities, ook toen deze jacht begonnen te maken op de Banyamulenge vanwege het feit dat zij Tutsi’s waren.
Op 7 oktober 1996 beging vice-gouverneur Lwabanji van Zuid-Kivu een kolossale blunder: hij beval de onvoorwaardelijke uitwijzing van rond tweehonderdduizend Banyamulenge. Ze moesten binnen een week het land verlaten, zei hij, 'anders zullen we ze opjagen alsof ze rebellen zijn’. Onmiddellijk werd een begin gemaakt met de deportaties. Voor zover zij niet uit eigen beweging vertrokken, werden de 'vreemdelingen’ door regeringstroepen en Hutu-milities met grof geweld uit hun dorpen verdreven. Voor de Banyamulenge, die als zoveel Afrikaanse volken in hun geboortegrond willen worden begraven om hun ziel voor de eeuwigheid te bewaren, was die maatregel ondraaglijk. Binnen een week sloegen ze hard terug met steun van de Rwandese bevelhebber Paul Kagame, die graag wilde afrekenen met de agressieve Hutu-milities, en de Oegandese president Museveni, die schoon genoeg had van de invallen van zijn eigen gewapende tegenstanders vanaf Zaïrees grondgebied.
Maar Kagame en Museveni wilden meer dan een grote schoonmaak; ze wilden een definitieve, dat wil zeggen politieke oplossing voor hun problemen. Dus steunden zij de alliantie van oppositiebewegingen onder leiding van de relatief onbekende Laurent-Désiré Kabila, die dankzij de impopulariteit van Mobutu binnen een half jaar Kinshasa veroverde. Rwandese troepen en Congolese Tutsi’s maakten van zijn opmars gebruik om in de hele oostelijke helft van het land huis te houden onder de Hutu-vluchtelingen. In enkele gevallen werden hun kampen bestormd door met speren en dolken gewapende Banyamulenge en ontwortelde jongeren, de Mai-Mai. In andere gevallen werden zij door Rwandese troepen tot diep in de jungle van midden-Congo achtervolgd.
Uiteindelijk werden rond zevenhonderdduizend Hutu’s gedwongen om terug te keren naar Rwanda. De overigen verkozen een ondergronds bestaan in Congo of vluchtten naar Soedan en Tanzania. Sindsdien zijn waarschijnlijk nog eens tienduizenden van hen vermoord. Een VN-onderzoekscommissie onder leiding van de Chileense jurist Roberto Garreton kreeg van Kabila geen gelegenheid om de beschuldigingen inzake massamoorden te onderzoeken.
NA DE VERDRIJVING van Mobutu leek een Centraal-Afrikaanse renaissance aangebroken. De 'nieuwe leiders’ Museveni, Kagame en Kabila werden door de Verenigde Staten bewierookt en hun bewind werd ten voorbeeld gehouden aan de hele regio. Toch waren Kagame en Museveni niet van hun probleem af. De Soedanese en diverse Hutu-legers groepeerden zich opnieuw en wisten Europese en Zuid-Afrikaanse wapens te bemachtigen om hun invallen voort te zetten.
Ook in Zaïre, inmiddels omgedoopt tot de Democratische Republiek Congo, veranderde er weinig in vergelijking met het regime van Mobutu. De verdiensten van Kabila zijn op de vingers van één hand te tellen: hij hervormde het muntstelsel en drong de inflatie terug. Verder liet hij de riolering van Kinshasa repareren en verjoeg hij een deel van de oude kleptocraten uit het land, helaas zonder een einde te maken aan hun praktijken. Daar ging het al meteen mis: de staatscommissie die de gestolen bezittingen van de voormalige machthebbers moest terughalen, gooide het vaak met hen op een akkoordje en stak grote sommen in eigen zak. Artikel Vijftien - een fictief artikel uit de oude grondwet dat luidde: 'ga je gang zolang je maar niet betrapt wordt’ - bleef onverminderd van kracht.
Van de beloofde democratische verkiezingen kwam niets terecht. Kabila verbood alle politieke activiteit en persvrijheid en toonde zich al snel even bedreven in de etnische verdeel-en-heerspolitiek als zijn voorganger, zodat hij door mensenrechtenorganisaties al gauw 'even erg als Mobutu’ werd genoemd. De niet-Rwandese inwoners ontwikkelden bovendien al gauw een afkeer van de Rwandese en Congolese Tutsi’s in Kabila’s entourage, die de werkelijke macht in handen leken te hebben. Afgezien van hun arrogantie speelde ook het taalverschil een rol - de Rwandezen hebben het Engels als tweede taal, de meeste Congolezen het Frans - en veel Congolezen hadden de indruk dat hun land door Rwanda bezet was. Kabila deed er alles aan om die indruk te versterken. Politieke tegenstanders werden op beschuldiging van spionage, corruptie of samenzwering opgepakt en voor lange tijd zonder proces opgesloten.
Velen van hen ontvluchtten na verloop van tijd het land. Steeds meer ministers en hoge ambtenaren werden gerecruteerd uit Katanga, Kabila’s eigen geboorteprovincie. Zijn inlichtingendienst Agence Nationale de Renseignements maakte zich schuldig aan folteringen, willekeurige arrestaties en geïnstitutionaliseerde diefstal, aldus een rapport van de gerespecteerde mensenrechtenorganisatie La Voix des Sans-Voix.
INTUSSEN GINGEN de Hutu-invallen in Rwanda en Burundi gewoon door en ook de Oegandese opstandelingen roerden zich weer in de grensstreek, hetgeen Kagame en Museveni uiterst ontevreden stemde. Begin dit jaar maakte Kabila aanstalten voor een grootscheeps regeringsoffensief tegen de Hutu-milities en Oegandese rebellen, maar om onopgehelderde redenen kwam het er niet van. Er vond wel een opstand plaats van Banyamulenge-soldaten in de provinciehoofdstad Bukavu die ternauwernood bedwongen kon worden.
Waarschijnlijk had Kabila de toestand toen al niet meer in de hand. Omdat hij dreigde weg te zakken in dezelfde poel van politieke chaos, etnische tegenstellingen en nepotisme als Mobutu en omdat zijn populariteit net als die van Mobutu zienderogen afkalfde, besloot hij twee weken geleden om dan maar dezelfde noodgreep toe te passen als zijn voorganger. Hij ontsloeg alle Rwandezen op hoge posten in zijn regime en beval dat de 'buitenlanders’ moesten verdwijnen, in de hoop dat alle 'echte’ Congolezen deze maatregel zouden verwelkomen.
Volgens sommige waarnemers was hij dit al geruime tijd van plan, hetgeen zou blijken uit het feit dat hij zijn strijdkrachten al enige maanden in het geheim Hutu-milities liet trainen en bewapenen. Als de nood aan de man kwam, zouden deze milities kunnen helpen bij het verjagen van de Rwandezen.
Hoe dan ook, de maatregel bleek een even grote psychologische blunder als het uitwijzingsbevel van vice-gouverneur Lwabanji twee jaar eerder. De Banyamulenge kwamen wederom in opstand, en alweer met Rwandese en Oegandese steun. Ook ditmaal lijkt de oppositie erin te slagen om de krachten te bundelen met de Banyamulenge en Rwandese en Oegandese troepen.
En net als Mobutu weigert Kabila de opstand als zodanig te erkennen. Hij spreekt van een 'Rwandese inval’ die met kracht bestreden moet worden en dreigt 'de oorlog terug te brengen naar waar zij vandaan komt’ - een perfecte reprise van het toneelstukje dat Mobutu op het laatst opvoerde, inclusief de poging om Rwanda door de veiligheidsraad veroordeeld te krijgen. 'Kapanga (de Congolese VN-ambassadeur - ab) kan de tekst van Mobutu van vorig jaar zo uit het archief trekken’, zei een Europese ambassadeur in De Standaard.
TERWIJL HIJ IN de rol van Mobutu valt, wordt Kabila dus met de methode-Kabila bestreden. Het verzet heeft nu een 'coördinator’ aangewezen, dezelfde functie die Kabila ooit bekleedde in zijn alliantie. Het is de 50-jarige internationaal jurist Arthur Zahidi Ngoma, opgeleid aan de Sorbonne en tot nog toe werkzaam voor de Unesco in Parijs. Onder collega’s geldt hij als een bedachtzaam en erudiet man die zich altijd heeft opgeworpen voor de persvrijheid in Zaïre, onder zowel Mobutu als Kabila. Ngoma werd door Kabila gevangen gezet en onder internationale druk weer vrijgelaten. Vorige week dook hij opeens op in de oostelijke steden Goma en Bukavu, die zojuist waren ingenomen door de Banyamulenge, en hij ontvouwde er een programma van nationale verzoening. Hij weersprak de berichten dat de Banyamulenge een onafhankelijk Kivu nastreven en hij riep alle bevolkingsgroepen en politieke stromingen op om de nationale eenheid te bewaren.
Er is echter één groot verschil met twee jaar geleden. De Rwandezen en Banyamulenge worden ditmaal niet door de bevolking ingehaald als bevrijders. Ze worden alom gewantrouwd of zelfs als bezetters beschouwd. De hoofdstedelijke bevolking lijkt voorlopig achter Kabila te staan en hetzelfde geldt voor zijn geboorteprovincie Katanga. Vooral de Katangezen zijn - anders dan de meeste kadogas, de kindsoldaten van Kabila - geduchte strijders. Hoe briljant de Rwandezen en Banyamulenge ook mogen opereren (getuige hun verrassingsaanval vanuit de lucht op de westelijke havensteden Muanda en Matadi), toch is de kans groot dat Congo deze keer een uiterst bloedige burgeroorlog tegemoet gaat.