In morpheus’ armen

Een van mijn lievelingsverhalen is Heinrich von Kleists novelle over ‘De markiezin von O.’ (1805), een weduwe van uitstekende reputatie, wonend in de stad M. (Noord-Italië). Zij viel, verhaalt de schrijver, bij de bestorming van haar citadel in zwijm voor de voeten van Graaf F., en liet een paar maanden later via een annonce weten dat zij buiten haar medeweten zwanger was geraakt.

Nou, dan weet je het wel, als vunze twintigste-eeuwer. De ouders van de markiezin konden echter hun ogen niet geloven.
‘Zij heeft het zeker in haar slaap gedaan’, sprak de vader sceptisch.'In haar slaap…?’ zei de moeder. 'En daardoor zou zij…?’ 'Allemaal onzin!’ zei de vader.
Bijna twee eeuwen later overkwam een jonge vrouw uit Workum zo ongeveer hetzelfde. Zij lag te bed, onder invloed van drank en drugs, in een afgronddiepe slaap, zodat zij niet merkte dat een stille aanbidder, een jonge man uit Hindeloopen, naast haar was gekropen om datgene te doen waar hij menig doorwaakte nacht van moet hebben gedroomd. Even later stond de man voor de Leeuwarder rechtbank, beschuldigd van verkrachting, waarvan hij inmiddels is vrijgesproken, een vonnis waarbij het Leeuwarder gerechtshof zich inmiddels heeft aangesloten. Verbazing alom. Hebben wij nèt verkrachting binnen het huwelijk strafbaar gesteld, zal verkrachting in Morpheus’ armen plotseling zijn toegestaan?
Het probleem is dat artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht het begrip verkrachting definieert als een handeling waaraan dwang te pas is gekomen, inclusief geweld of dreiging met geweld. Daar was in dit geval geen sprake van. De stille aanbidder was die betreffende nacht zo verstandig zich muisstil te houden opdat zijn favoriet niet voortijdig de ogen zou opslaan. Vervolgens was hij zo onverstandig - die drank en drugs hebben heel wat op hun geweten! - als een blok in slaap te vallen in plaats van op kousevoeten die Workumse woning uit te sluipen. Kleist en Boccaccio gloeiend aaneengesmeed in een Friese streekroman.
De meeste vrouwen, met name de juristen onder hen, zijn van mening dat wetsartikel 242 zowel in eerste instantie als in hoger beroep te rigide is uitgelegd. Mr. G. van Driem noemde de vonnissen 'onbegrijpelijk’ en is van mening dat de betreffende rechters 'iets creatiefs’ hadden moeten verzinnen.
Maar is de wet er om creatief te worden geïnterpreteerd? Ik hou daar niet zo van, eerlijk gezegd. 'Is dit de wet?’ vroeg Shylock, de woekeraar. 'Ja, het is de wet’, antwoordde neprechter Portia - om daarna de wet zo creatief te interpreteren dat een Engelse dame bij een voorstelling van het toneelstuk met de woorden 'The poor man is wronged!’ in tranen uitbarstte.
Onze sympathie gaat vanzelfsprekend uit naar de geschoffeerde partij. Maar om de schoffeerder wegens verkrachting te laten veroordelen moet de wetgever zich eerst over een andere wetstekst buigen. Nu moet de rechterlijke macht het, of wij het leuk vinden of niet, voorlopig met de wetstekst doen op grond waarvan de verdachte vrijuit is gegaan. Niettemin, er is door hem ongetwijfeld 'een grote rotstreek’ uitgehaald, zoals de procureur-generaal het noemde, een kwalificatie die zowel die vrijer uit Hindeloopen als zijn verre voorganger, Graaf F. te M. (Noord-Italië) zich aan kunnen trekken.