In naam der wet

Solvej Balle, Volgens de wet. Uit het Deens vertaald door Gerard Cruys. Uitg. De Geus, 126 blz., f32,90
De wetten van de liefde, Vreugde der wet, Volgens de wet - is het toeval dat er op dit moment drie vertalingen in de boekhandel liggen met het woord ‘wet’ in de titel? Wie het zo algemeen over wetten heeft, is op zoek naar iets van hogere orde of gelooft er al bij voorbaat in, iets wat men wel moet geloven of op z'n minst gehoorzamen. Toch merkwaardig dat het jonge schrijfsters zijn die hun boek onder zo'n abstracte noemer brengen. Titels met een bepalend lidwoord, ook al zo'n mode, versterken de indruk dat het om iets categorisch gaat.

‘Vier vertellingen over de mens’, zo luidt de ondertitel van Volgens de wet van de Deense schrijfster Solvej Balle (1962). Over de mens - dat noem ik nog eens categorisch: vier verhalen over telkens een persoon, maar met de gebruiksaanwijzing dat het om 'de’ mens in het algemeen gaat. Ik moet bekennen dat ik een klier in mijn hoofd heb die pavloviaans reageert op universele aanspraken. De vier verhalen van Balle hebben geen titel maar worden met een paragraafteken aangeduid, als zijn het delen van een omvangrijker betoog, en ze worden telkens bij wijze van motto voorafgegaan door de definitie van een wet: 'Wet inzake lijkschouwing en sectie’; een passage uit het decreterende derde boek van Mozes, Leviticus; 'De valwet van Galilei’; 'De tweede wet van de thermodynamica’. De schrijfster beperkt zich tot een suggestie en dat is eigenlijk al te veel, waarom zou ik dan mijn brein breken door na te gaan hoe die wet per paragraaf werkt of verwerkt is. Ik wil maar zeggen dat titel, ondertitel, de verdeling in paragrafen, de verwijzingen naar juridische, theologische en natuurkundige wetten (en de vraag van de flapschrijver of deze wetten 'ook deugen als instrument om de kern van het leven te doorgronden’ dan wel 'de essentie van het bestaan juist versluieren’) de lectuur zo uitdrukkelijk een bepaalde richting in of uit sturen dat je als lezer weinig bewegingsvrijheid overhoudt.
Vier wetsparagrafen. Een biochemicus in Ville de Quebec is op zoek naar een chemische stof in de hersenen die de mens overeind houdt, de voornaamste eigenschap waardoor wij ons van andere wezens onderscheiden. Een vrouw ziet de man die ze in Bazel op het station achterlaat door verlamming getroffen worden en besluit onmiddellijk zich van haar schuld(gevoel) te ontdoen 'door op zoek te gaan naar een pijn die zij iemand anders had aangedaan’. Daartoe reist zij naar Barcelona, maar keer op keer doet zich ook daar hetzelfde verschijnsel voor, en dat gaat daarna in Parijs door tot zij ten slotte niet meer weet waarnaar zij op zoek is. Dan is er een wiskundige die op zoek gaat naar de nulwaarde, met zichzelf als onderzoeksobject: 'Hij wilde de kleinste plaats innemen die een mens op de landkaart van de mensheid maar innemen kon.’ De proef mis lukt, wat niet gezegd kan worden van de proefnemingen van de vrouw in het vierde deel, die op het laatst niets meer met mensen te maken wil hebben en ding onder de dingen wil worden. Deze maakster van maskers laat zich doodvriezen, en met haar ingevroren hersenen, ter beschikking gesteld van de wetenschap, komt de biochemicus in het eerste verhaal tot zijn ontdekking. Zoals de hoofdpersonen zelf alles ondergeschikt maken aan hun obsessie of fixatie, of erdoor gedreven worden, zo dient hun verhaal om een bepaald idee te illustreren.
En daarmee houdt het wel zo'n beetje op. Het boek zit geraffineerd in elkaar, dat is waar, aan duidelijkheid laat het niets te wensen over. Dat vind ik een bezwaar, te meer daar de zuinige stijl er een van formules is. Interessant worden de verhalen voornamelijk in de terzijdes, in niet direct te plaatsen details, maar op het laatst heb je toch het gevoel met een serie case stories te maken te hebben, met voorbeelden bedoeld om abstracte ideeen aanschouwelijk te maken - maar wat als die ideeen zelf geen betekenis krijgen? Wetten, of ze echt bestaan of niet, wat moet de literatuur daarmee? Gaat het in de literatuur niet om de uitzonderingen?