De revolutie eet haar eigen kinderen op

In naam van het volk

Revoluties worden vrijwel altijd in gang gezet in naam van het volk. Maar doorgaans gaat een elite er met de «volkswil» vandoor, en wordt de meerderheid er geen haar beter van. Hoe meer egalitair en bevlogen revoluties beginnen, des te vaker lijken ze te eindigen in despotisme en terreur.

«Wij zijn het volk en wij zijn met miljoenen». — de teksten op de spandoeken die demonstranten in Leipzig, Dresden en andere steden in de Duitse Democratische Republiek meevoerden, spraken boekdelen. Het was oktober 1989 en honderdduizenden demonstranten reten de republiek aan flarden. Ook al was die volgens haar politieke leiders nog zo’n socialistische heilstaat. Al wekenlang liep de DDR leeg. Eerst nog druppelsgewijs, via de West-Duitse ambassade in Praag. Vanaf september werd de stroom massaler, nu via de door Hongarije stilletjes opengestelde grens met Oostenrijk. De Stasi (staatsveiligheidsdienst) zorgde ervoor dat het bezit van de vluchtelingen werd geconfisqueerd, hun woningen verhuurd en hun dossiers gesloten met een laatste opmerking: «vijand van het volk».

Lang niet iedereen wilde weg. Het ging de Oost-Duitsers niet om de rijkdom van hun kapitalistische volksgenoten in het Westen, zoals de mythe wil. Het ging hen aanvankelijk evenmin om het nationalistische sentiment der Duitse hereniging. De mensen waren het simpelweg zat dat een partijelite regeerde «in het belang van het volk», zoals dat heette in een soci a listische «volksdemocratie», zonder naar hen te luisteren. Als om duidelijk te maken waar het ze wérkelijk om ging, scherpten ze hun leuze aan. «Wij zijn het volk! Wij blijven hier!»

In het Westen keek men verbouwereerd toe. Dit begon warempel te lijken op een revolutie. Al had Michail Gorbatsjov, president van de Sovjet-Unie, openheid en hervormingen afgekondigd, hij kon deze redelijk succesvolle satellietstaat toch niet zomaar loslaten? Toch viel op 9 november 1989 de Berlijnse Muur zonder dat een schot werd gelost.

Ook George Orwell zou zich wellicht achter de oren hebben gekrabd. In zijn visionaire roman 1984 is de macht in handen van een alom aanwezig staatsapparaat, dat regeert in naam van het volk. Tegelijkertijd wordt de bevolking op grandioze wijze onderdrukt door middel van gedachtepolitie, alziende «teleschermen» (in elk huis bevestigd), spionerende kinderen en een New Speak: een nieuwe taal die onwelgevallige feiten uit heden en verleden heeft weggesneden. Met 1984 uitte Orwell zijn vrees dat de moderne, tot op het bot gebureaucratiseerde staat het volk eronder zou houden door in elk niveau van het leven binnen te dringen. Big Brother is watching you. Waar je ook gaat. Hij schreef het in 1948.

In den beginne had het volk het zelf gewild, liet Orwell doorschemeren. In 1984 wordt de almacht van Grote Broer gelegitimeerd aan de hand van de volkswil. Orwell situeerde zijn verhaal in het Londen van 1984, hoofdstad van Luchtstrook 1, deel uitmakend van het totalitair ingerichte Oceanië. De bevolking is doordrenkt van haat voor Emmanuel Goldstein, die op een hersenspoelende wijze wordt gepresenteerd als «de vijand van het volk». Goldstein duikt steeds weer op in de propagandafilms waarmee de Twee Minuten Haat worden gevuld die men op gezette tijden verplicht ondergaat. De vijand van het volk boezemt de mensen angst en afgrijzen in. De haat smeedt het volk aaneen, en het volk is in Orwells futuristische verhaal iedereen, tot de jongste mens aan toe. Met de leden van «de Partij» als voorhoede, en Grote Broer als de alwetende en onverschrokken roerganger. Het was een revolutie in naam van het volk die Grote Broer aan de macht bracht, weet Orwells hoofdpersoon zich moeizaam te herinneren.

Orwell liet in zijn onheilspellende visioen geen enkele ruimte voor hoop. Het volk had zijn lot uit handen gegeven, en kon het met geen mogelijkheid weer opeisen. Individuen bestonden niet meer. Ze waren aaneen ge klon terd tot een massa die zich mond- en geestdood had laten maken door te geloven in haar leider. Liefde, dagboeken, opstanden, niets was bestand tegen de totale controle van het staatsapparaat. Vrijheid en geluk zijn in 1984 holle begrippen. Illusies van machteloze onderdanen.

Was Orwell te pessimistisch geweest? De Ossies flikten het ’m toch maar mooi! Ze maakten eerst een einde aan de totalitaire aspiraties van hun leiders, en onttroonden hen vervolgens met fluwelen handschoenen. Een voorbeeld dat overal in Midden- en Oost-Europa werd gevolgd. In Roemenië ging de revolutie echter wél met geweld gepaard. Ceausescu en zijn vrouw werden op eerste kerstdag geëxecuteerd, en in de straten kregen groepjes opstandelingen slechts met veel geweld de gewapende agenten van de Securitate, de veiligheidsdienst van de gehate dictator, eronder. Maanden eerder was Orwells angstvisioen al uitgekomen. De leiders van de Chinese communistische partij gingen de opstandige, om democratie roepende studenten op het plein van de Hemelse Vrede in Peking met tanks te lijf. De moorddadige actie werd een succes voor de partijbonzen. De geïntimideerde bevolking hield zich stil.

Pas later bleek dat ook in de DDR de revolutie bijna was geëindigd in een bloedbad. Toen de protesten aanzwollen tot massademonstraties waren troepen gemobiliseerd. De militairen kregen machinegeweren en scherpe munitie uitgereikt, en werden bijgestaan door eenheden van de Stasi. Partijchef Erich Honecker opperde het plan een pantserregiment naar Leipzig te sturen. Als Gorbatsjov niet dagen eerder had duidelijk gemaakt geen steun te geven aan militaire maatregelen was de fluwelen revolutie waarschijnlijk een bloedrode geworden. Net als in China gesmoord door een leger dat grotendeels bestond uit dienstplichtigen en dat volgens de New Speak van het communisme in beide landen (evenals in vele andere socialistische heilstaten) ironisch genoeg «Volksleger» heette.

Revoluties spreken tot de verbeelding. Als de politieke en sociale veranderingen die ze in gang hebben gezet indringend genoeg zijn, vinden ze doorgaans een vaste plek in de collectieve herinnering, en worden ze het voorwerp van mythologisering: heldhaftige momenten in de geschiedenis van een volk. Soms ook appelleren ze juist niet aan nationale trots. De machtsgrepen van Hitler en Mussolini waren revolutionair — ze hadden ingrijpende maatschappelijke gevolgen — maar worden door Duitsers en Italianen toch een stuk minder gewaardeerd dan de Fluwelen Revolutie van 1989, respectievelijk de Italiaanse Revolutie van 1848, die Italië binnenleidde in de wereld van de moderne natiestaat.

Revoluties worden vrijwel altijd in gang gezet in naam van het volk. Maar zo het volk al van aanvang af greep heeft op de gebeurtenissen weet het die zelden te behouden. Doorgaans gaat een elite er met de «volkswil» vandoor, en wordt de meerderheid er geen haar beter van. Hoe meer egalitair en bevlogen revoluties beginnen, des te vaker lijken ze te eindigen in despotisme en terreur. Dat was het geval met de moeder der revoluties, de Franse van 1795, en met de Russische Revolutie van 1917. De veelbezongen Amerikaanse Revolutie van 1775 ontaardde niet, maar legde wél de kiem voor de bloedige Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) door één te willen maken wat nog lang niet één was.

Het is vaak geprobeerd, maar nooit gelukt een sluitende theorie van «de» revolutie op te stellen. Er zijn simpelweg te veel factoren die het verloop en de uitkomst van een revolutie bepalen. In zijn klassieke studie The Anatomy of Revolution deed Crane Brinton vergelijkend onderzoek naar de Engelse, de Franse, de Amerikaanse en de Russische revoluties. Alle gericht tegen een door de revolutionairen als onrechtvaardig beschouwd systeem, alle gedragen door een vastberaden elite die zei het beste voor te hebben met volk of vaderland, alle opgedragen aan «de vrijheid». Crane concludeerde met enige verbazing, zoals hij zelf schrijft, dat de revolutionairen «uiteindelijk de efficiëntie van het bestuur lieten prevaleren over het ‹recht› van het individu op een romantische vrijheid zichzelf te zijn. (…) Bills of Rights, wetboeken en constituties waren uiteindelijk programma’s van de nieuwe heersende klasse. Vrijheid als ideaal sprak voor zich. Vrijheid in de praktische politiek, aan de andere kant, bleek een andere, minder verheven zaak.» De beloftes aan het volk konden in de verste verte niet worden waargemaakt: niet het recht op geluk van de Amerikaanse Revolutie, noch de vrijheid, gelijkheid en broederschap van de Franse, of de communistische zegeningen van de Russische Revolutie.

Dat de Franse en de Russische Revolutie leidden tot omvangrijke terreur wordt wel verklaard uit de vérgaandheid van hun idealen. Vlak na de feitelijke omwenteling waren de revolutionairen nog niet sterk genoeg om hun ideeën af te dwingen, en moesten ze wel samenwerken met de oude garde. Maar na verloop van tijd wonnen zij aan kracht, en radicaliseerde de revolutie in een uiterste poging het onderste uit de kan te halen. Obstakels moesten uit de weg geruimd. Zowel in Frankrijk als in Rusland werkte een toestand van burgeroorlog de paranoia van de revolutionairen nog in de hand: de vijanden van de revolutie dreigden de overhand te krijgen. Guillotine, galgen en vuurpelotons boden uitkomst, alweer in naam van het volk.

Robespierre beriep zich op «de bevoegdheid van de volksregering» en noemde de terreur «een gevolgtrekking uit het algemene beginsel van de democratie»: «De terreur is niet anders dan de parate, strenge, onbuigzame gerechtigheid; zij is dus een uitvloeisel van de deugd.» De Russische revolutionairen verwezen eenvoudig naar de dictatuur van het proletariaat en de «historisch noodzakelijke» eliminatie van klassevijanden. Tot heil des volks, uiteraard. Jaren later formuleerde Mao het zonder omhaal: «Communisme is geen liefde. Communisme is een hamer die we gebruiken om de vijand te verpletteren.»

Na het desastreuze nationalisme en fascisme van de Tweede Wereldoorlog werd het in de westerse parlementaire democratieën tamelijk ongebruikelijk machtsaanspraken te baseren op de wil van een heel volk. Sinds enige tijd echter is het populisme weer salonfähig. Alles moet anders, want het volk wil het. Maar nog altijd geldt: een leider die het volk aanroept ter legitimering van zijn macht dient gewantrouwd te worden. Al was het maar omdat hij zich bedient van een maatstaf die hij niet kan overzien. In het beste geval zal hij zich moeten bedienen van leugens en manipulatie, in het ergste van onderdrukking en geweld om zijn programma uit te voeren.

Het verleden puilt uit van de voorbeelden waar «het volk» diende ter legitimatie van weinig nobele initiatieven. Om enkele uiteenlopende te noemen: de Overijsselse edelman Joan Derk van der Capellen tot den Pol verspreidde in 1781 anoniem zijn pamflet Aan het volk van Nederland, waarin hij opriep tot verzet tegen de Oranjes, die door middel van het stadhouderschap steeds meer macht naar zich toe trokken. Met de belangen van het volk in de huidige betekenis van het woord had dat niets van doen; met die van lage edelen en regenten als Van der Capellen zelf des te meer. Een ander voorbeeld is Hitlers Volks gemeinschaft. Joden, zigeuners en zwakken van geest en lichaam dienden eruit weggesneden te worden. En in het postrevolutionaire Servië liepen politici weg met de geweldloze volksrevolutie. Nu Milosevic van het toneel is verdwenen, bestrijden voormalige oppositieleiders elkaar uit alle macht. De gewone Serviërs lieten ze aan hun lot over. Die reageren zoals dat hoort in een niet-functionerende democratie: ze blijven thuis. Tot driemaal toe bleef de opkomst bij de presidentsverkiezingen onder de wettelijk vereiste vijftig procent.

Ook de Fluwelen Revolutie in de DDR raakte na verloop van tijd in een vaarwater dat veel Oost-Duitsers niet aanstond. De Duitse hereniging werd hét thema van de DDR-verkiezingen van 18 maart 1990. «Wij zullen de toekomst vormgeven als één volk in één Duitsland», baste toenmalig bondskanselier Helmut Kohl triomfantelijk ten overstaan van 130.000 Oost-Duitsers. «Duitsland, verenigd vaderland!» brulde de menigte terug. Weer een revolutie die werd gesmoord in beloften: eenwording werd gekoppeld aan economische voorspoed. Leve Duitsland, leve het Duitse volk!

In Over de Muur publiceerde journalist Joost Niemöller dertig levensverhalen van Oost-Duitsers uit verschillende generaties en bevolkingslagen. Hij hield zijn interviews in september 1990, de laatste maand vóór de eenwording. In feite was de DDR al opgeheven. De mismoedigheid druipt van de gesprekken. «In het begin was het Wir sind das Volk. Maar toen werd het Wir sind ein Volk. (…) Er waren worstkraampjes en bier. Er werd gezopen. Veel dronken mensen erbij. Dat waren niet meer de demonstraties zoals ze eerst waren.»

Niemöllers gesprekspartners wisten: de revolutieroes is voorbij. Nu kwam het moeilijke gedeelte. Duitsland betaalde zwaar voor de eenwording. Overal elders bloeide de economie, behalve in het verenigde vaderland. De voormalige DDR werd gedompeld in massale werkloosheid. Armoede en extremisme eisten hun tol. Opnieuw was een elite aan de haal gegaan met een revolutie.

En het volk betaalde de prijs.