In naam van het volk

WE HEBBEN ER OP DE REDACTIE flink over gedebatteerd. Begin van dit jaar maakte De Groene Amsterdammer een special over de elite en al snel werd het plan geboren om een soortgelijk nummer over ‘het volk’ te maken.

Medium inleiding volk

De zelfgenoegzame grachtengordel, multiculti-knuffelende politici, vooringenomen rechters, wereldvreemde wetenschappers, subsidieverslaafde kunstenaars, kosmopolitische bakfietsrijders die hun kinderen per se op een witte school willen, de linkse elite kortom is de afgelopen jaren danig onder vuur genomen door Geert Wilders en zijn adjudant Martin Bosma. Tegenover de verachtelijke elite plaatst de PVV-leider het goede volk, ‘het hart en de ruggengraat van de samenleving’. Nu ja, over het volk heeft hij het niet letterlijk, hij praat over Henk en Ingrid als personificatie van het volk. En Henk en Ingrid zijn, aldus Wilders bij de presentatie van het verkiezingsprogramma van de PVV in 2010, 'mensen die nu door iedereen worden gepakt. Ze worden door de politieke elite genegeerd, op een zijspoor gezet.’
Waar het woord 'elite’ te pas en te onpas van stal wordt gehaald, zal Wilders, en met hem andere politici, het niet snel over 'het volk’ hebben. Eerder rept hij van 'de gewone Nederlanders’ en 'de gewone man’, of van de meerderheid, zíjn meerderheid welteverstaan, de anderhalf miljoen kiezers die op hem stemden. Wiegel had het destijds over 'de mensen in het land’, Rutte spreekt nu over 'de hardwerkende Nederlanders’ en ook buitenlandse politici spreken liever van Otto Normalverbraucher (Duitsland), Matti Meikäläinen (Finland) en Average Joe of Joe the Plumber (Amerika) dan over 'het volk’. 'Volk’ is kennelijk een besmet begrip. Dat bleek ook uit de ongemakkelijke discussies ter redactie, waar sommigen vreesden voor een nummer vol onderklasse-voyeurisme. Voor neerbuigendheid, zogezegd.
'Volk’ is ook, meer dan 'elite’, een dubbelzinnig begrip. Wie snuffelt in het Oudnederlands Woordenboek en het Middelnederlandsch Woordenboek leert dat het woord 'folk’ voor het eerst in de achtste eeuw werd gebruikt, een Germaanse oorsprong heeft, en in eerste instantie legerschaar en krijgsbende betekende - iets daarvan is nog terug te vinden in het woord voetvolk. In de twaalfde eeuw is de betekenis uitgebreid tot volk, de mensen, de menigte. Nog weer iets later gaat het ook gebruikt worden voor op geografische, etnische of religieuze gronden verenigde mensen. In het Middelnederlands slaat 'volc’ zowel op een mensenmenigte als op bewoners en onderdanen van een specifiek gebied.
Ingewikkeld wordt het begrip pas als het vanaf de zestiende eeuw ook in sociaal opzicht wordt toegepast: de lagere stand (tegenover de elite), de gewone mensen. Vaak enigszins met de bijgedachte, zo vermeldt het Woordenboek der Nederlandsche Taal, van onbeschaafd, gespuis, uitschot. Het woord staat al eeuwen voor de bevolking van een land in het algemeen (het volk in volksvertegenwoordiging of volkspartij) én voor 'gemeen volk(je)’, de heffe des volks, het schorriemorrie, het schuim van het volk, het volk van de richel en het plebs.
Natuurlijk kunnen wij die tweede betekenis, in de zin van de heffe, niet wegtoveren, maar in dit nummer is het ons bovenal om 'het volk’ in de eerste betekenis te doen, en zelfs dat is niet één betekenis, omdat we ons zowel buigen over het volk als iedereen (alle burgers, alle kiezers) als over het volk als de gemiddelde Nederlander.
Hoe dan ook is er tegenwoordig weer veel om het volk te doen. Politici lijken vaker te spreken namens en over het volk (al noemen ze het dus anders), waarbij ze de dubbelzinnigheid niet vermijden, omdat ze aan de ene kant het 'zuivere volk’ tegenover de elite plaatsen, maar aan de andere kant ageren tegen de verhuftering van de samenleving en pleiten voor nieuw paternalisme, voor nieuwe volksverheffing. Tegelijk voelt een substantieel deel van de kiezers zich niet vertegenwoordigd door de 'zakkenvullers’ in Den Haag. Er vonden dit jaar volksopstanden plaats in vrijwel de gehele Arabische wereld, waarbij ettelijke dictators het veld moesten ruimen. In naam van het volk, oftewel de 99 procent, worden in allerlei steden in het Westen tentenkampen opgezet. En bij de pogingen de euro te redden wordt er steeds vaker op gewezen dat er een diepe kloof gaapt tussen de Europese politiek en het Europese volk.
Onvermijdelijk gaat dit speciale nummer van De Groene Amsterdammer niet alleen over wie of wat het volk is, maar ook over de staat van onze democratie. Wat betekent de toenemende macht van Europa voor de nationale democratieën? Hoe zetten populistische partijen het volk in, en is dat in het belang van 'de gewone man’? Betekent het populisme een verdergaande democratisering of juist een gevaar voor de democratie? En vooral: hoe willen wij onze democratie zien? Als stem van de meerderheid of als hoeder van pluriformiteit? Hoe ongemakkelijk ook, het is belangrijk dat over de rol van 'het volk’ in de volksvertegenwoordiging wordt nagedacht, juist in deze onzekere tijd.