De andere vrijheidsstrijders

In naam van merdeka

Soetan Sjahrir, Rachmad Koesoemobroto – in Nederland kennen we de voormannen van de Indonesische revolutie nauwelijks. Maar ook hun strijd, hun verlangen naar vrijheid, tekent de Nederlandse geschiedenis.

Medium hh 46926503
Soetan Sjahrir pleegt overleg in het voorlopige Indonesische parlement, de K.N.I. Poesat, 1947 © Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum / HH

In zijn autobiografie Op jacht naar het leven beschreef Nederlands beroemdste verzetsman, de Soldaat van Oranje Erik Hazelhoff Roelfzema, hoe zijn vrijheidsdrang, net als voor veel jonge jongens in 1940, vooral was vermengd met het destijds in Europa heersende patriottisme, ‘een overdreven vaderlandsliefde’. Roelfzema’s interpretatie van vrijheid vergroeide tot een nationale jongensdroom, waaraan films, boeken en theaterstukken zijn gewijd. Vrijheid bleef voor hem ook na de oorlog verbonden aan nationale gevoelens, zoals blijkt uit zijn weerstand tegen een onafhankelijk Indonesië, het land waar hij was opgegroeid.

Maar in de zomer van 1947, toen de ‘Eerste Politionele Actie’ door Nederland tegen de nieuwe republiek Indonesië werd ingezet, hield de gedachte aan ‘een jonge Indonesiër, sneuvelend in een sawa door een Nederlandse kogel’ hem toch kortstondig bezig, zo schrijft hij in zijn autobiografie. Waar stierf hij voor, vroeg de oud-verzetsman zich vertwijfeld af. ‘Voor zijn land? Voor Merdeka? (…) Waarin was hij anders dan ik, behalve dat ik levend en hij dood was?’ Maar zo kort na de Tweede Wereldoorlog wilde Roelfzema de gedachte dat de sneuvelende Indonesiër wellicht voor hetzelfde doel vocht als hij ver wegstoppen. Hij eiste destijds, net als veel andere Nederlanders, ‘het recht om voorwaarts te leven, weg van dood en verderf’.

Deze zomer is het zeventig jaar geleden dat de Nederlandse regering de Eerste Politionele Actie afkondigde tegen de Republiek Indonesië. Dat gebeurde nadat Nederland de in november 1946 afgesloten Overeenkomst van Linggadjati met de Indonesische regering had verworpen. De interpretatie van het akkoord verdiepte de splijtzwam van de latere herinneringscultuur, waarin Nederland de overeenkomst als een mislukking zag, terwijl het voor Indonesië juist een belangrijk historisch moment was: voor de eerste keer werd hun jonge natie de facto door Nederland erkend.

Terwijl er in de rechtszaal om de nalatenschap van het koloniale verleden wordt gevochten en de regering een onderzoek financiert naar de precieze toedracht van de gebeurtenissen in 1945-1949 is de vraag die Roelfzema destijds opwierp nog altijd onbeantwoord. Wie was die andere vrijheidsstrijder? En wat betekende merdeka (vrijheid) voor hem of haar? De voormannen van de Indonesische revolutie zijn in Nederland nagenoeg onbekend. Soekarno is in brede kringen controversieel gebleven en maar weinig jongeren weten wie Mohammed Hatta was. Ook Soetan Sjahrir, de man van verbinding, is hier een onbekende. Toch is zijn strijd net zo belangrijk voor de Nederlandse geschiedschrijving als die van de Soldaat van Oranje.

In 1935 voer de 26-jarige revolutionair Soetan Sjahrir met enkele andere gevangenen en een paar bewakers een bruingele rivier op in de jungle van Nieuw-Guinea. Zij waren op weg naar het Nederlandse concentratiekamp Boven-Digoel. Sjahrir zat eerst een jaar zonder vorm van proces vast op verdenking van ‘haat zaaien’ en ‘verstoring van de openbare orde’. Hij wilde slechts zijn volk dienen, verdedigde Sjahrir zich in een van zijn brieven naar zijn toenmalige vrouw in Nederland, die later werden gepubliceerd in Indonesische overpeinzingen.

Sjahrir studeerde in 1929 economie in Amsterdam, begaf zich onder Nederlandse en Indonesische intellectuelen en sloot zich aan bij de politieke beweging Perhimpoenan Indonesia (PI). In 1931 keerde hij terug naar Indonesië. Sjahrir zocht niet alleen fysieke vrijheid, zo blijkt uit zijn brieven, maar hij benoemde onvrijheid ook in de afwezigheid van individuele rechten, ‘die zich toont in de almacht van de politie, in Schutzhaft en in concentratiekampen’.

Niet lang voor de terugkeer van Sjahrir waren er in Nederlands-Indië razzia’s gehouden op vermeende communisten en waren de kopstukken van het verzet, waaronder Soekarno, gevangen gezet. Ook Sjahrir staat bij terugkeer al snel onder verdenking. Zijn kennissen werden bespioneerd en iedereen die contact had met hem en zijn familie stond onder verdenking van de Nederlands-Indische inlichtingendienst. In 1934 werd hij opgepakt.

Sjahrir was niet de enige die om zijn politieke stellingname werd opgesloten. Honderden lotgenoten belandden in Boven-Digoel. Sjahrir beschreef een onaangenaam, snikheet oord, waar mensen als een ‘geestelijke ruïne’ wegkwijnden door de malaria en mentale ziektes. Hij moest zijn eigen hut bouwen, en zijn eigen kleding en eten verzorgen. Je kon met arbeid wat verdienen in het kamp, maar zolang hij geen inkomsten had was hij overgeleverd aan vissen in de door de gevangenen vrijwel leeggeviste rivier.

In zijn brieven legde Sjahrir de dubbele moraal van de Nederlanders ten aanzien van hun kolonie feilloos bloot. Zo las hij In de schaduwen van morgen van de beroemde historicus Johan Huizinga, die een inktzwart Europa schetste waar Hitler en Mussolini aan de macht waren en het morele verval van de westerse beschaving het totalitarisme in de hand werkte. Voor Sjahrir was het boek een teleurstelling, schreef hij. Huizinga veroordeelde het doden van mensen door Duitsland begin jaren dertig, maar vond dat geweld wel geoorloofd was ter verdediging van de eigen rechtsorde.

‘Wat doet men in Duitsland anders dan het verdedigen van de rechtsorde – hun rechtsorde – met alle middelen, die de machthebbers daar ter beschikking staan?’, vroeg hij zich af. Huizinga was eenzijdig in het neerzetten van zijn tijdsbeeld, aldus Sjahrir: hij had kritiek op Duitsland maar accepteerde ‘de gummiknuppel, de rotanstok, de zweep, concentratiekamp, interneringen’ ter verdediging van zijn eigen rechtsorde, en zag daarmee de rechtspositie van miljoenen Indonesiërs over het hoofd.

De Soldaat van Oranje eiste, net als veel andere Nederlanders, ‘het recht om voorwaarts te leven, weg van dood en verderf’

Ondanks zijn scherpe observaties en de rechteloze behandeling die hem ten deel viel, weigerde Sjahrir om anti-Hollands te zijn. Sterker nog, hij veroordeelde zijn mede-intellectuelen die dat wel waren: ‘Hoewel ik het begrijp, sta ik er allesbehalve sympathiek tegenover en concessies op dit gebied heb ik ook nooit willen doen.’

Murjani Kusumobroto (Surabaya 1954) herkent veel van Sjahrirs gedachtegoed in haar eigen vader, de Indonesische nationalist Rachmad Koesoemobroto (1911-1985), vertelt ze in Café Kobalt in Amsterdam. Ook zijn principes leverden hem een leven als politiek gevangene op. Als zoon van een regent op Java studeerde hij in de jaren dertig rechten in Leiden en hij werd net als Sjahrir lid van de PI. Hij trouwde met een Nederlandse vrouw. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak zette Koesoemobroto, net als verschillende andere Indonesische leden van de PI in Nederland, de Indonesische strijd ‘in de ijskast’ en bracht samen met zijn vrouw joodse kinderen onder bij het verzet. ‘Mijn vader was net als Sjahrir een antifascist. Het maakte hem niet uit of dat nu een vorm van fascisme van Nederlandse, Duitse, Japanse, of Indonesische makelij was’, zegt Murjani.

In zijn politieke pamflet Onze strijd uit 1945 noemde ook Sjahrir de Nederlandse overheersing van Indonesië in samenwerking met de Indonesische adel een ‘speciaal voorbeeld van fascisme’. Een stelling die bijzonder weinig navolging heeft gekregen in postkoloniaal Nederland. Merdeka betekende voor de Indonesiërs niet alleen een soevereine staat, aldus Sjahrir, maar men zocht na de Nederlandse en Japanse overheersing ‘de bevrijding van zichzelf van de willekeur, van honger en nood’.

In 1942 was de Tweede Wereldoorlog ook in Nederlands-Indië uitgebroken en werd de archipel bezet door Japan. Sjahrir, die werd bevrijd, wilde anders dan veel andere Indonesische revolutionairen niet samenwerken met de Japanners; het antifascisme bleef voor hem leidend in zijn handelen. Ook toen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd in 1945 losbrak met een golf van geweld van jonge vrijheidsstrijders tegen eenieder die met kolonialisme werd geassocieerd, zoals (Indische) Nederlanders, Chinezen en Molukkers, noemde Sjahrir dat geweld in zijn pamflet ‘fascistische wreedheden’. ‘Moord en rampokpartijen’ in de periode die in Nederland met Bersiap wordt aangeduid konden moeilijk worden opgevat als ‘uitingen van een vrijheidsstrijd’, aldus Sjahrir, die in 1946 de eerste premier werd van de Republiek Indonesië.

Koesoemobroto keerde in 1946 terug naar Indonesië om daar de strijd voort te zetten. Ironisch genoeg werd hij als oud-verzetsman door de Nederlanders gevangen gezet. Tijdens zijn ondervraging ontkende hij de bekende revolutionair Rachmad Koesoemobroto te zijn. ‘Net toen die ondervrager begon te twijfelen liep er een Nederlandse soldaat langs, een kennis met wie hij in het verzet had gezeten in Nederland: “Hé Rachmad, wat doe jij hier!”’, vertelt zijn dochter. ‘Hij zat anderhalf jaar vast en mijn moeder moest het maar zien te rooien. Er was geen geld en ze verloor een kind van acht maanden. Ook werden zijn beide broers doodgeschoten tijdens de onafhankelijkheidsstrijd, één door de Britten en één door de Nederlanders.’

Sjahrir speelde ondertussen een prominente rol in de onderhandelingen met Nederland voor een vrij Indonesië. Zijn anti-Japanse houding leverde hem een voorkeurspositie op ten opzichte van Soekarno, die werd gezien als een collaborateur. Oud-premier Wim Schermerhorn zou in zijn dagboek over het diplomatieke talent van Sjahrir schrijven: ‘Deze man verdient dubbel en dwars krediet van ons en van zijn eigen volk.’

Sjahrir botste in het in 1949 onafhankelijk geworden Indonesië al snel met Soekarno, die hem opnieuw gevangen zette. In 1965 greep generaal Soeharto de macht. De spoken van de communistische staatsvijanden doken onder invloed van de Amerikanen opnieuw op en honderdduizenden Indonesiërs werden vermoord. Sjahrir was ondertussen door Soekarno naar Zwitserland gestuurd vanwege gezondheidsproblemen. Hij werd daar herenigd met zijn gezin. Lang heeft het gezinsgeluk niet geduurd, een jaar later stierf hij.

Ook Koesoemobroto wachtte een hard lot na de Indonesische onafhankelijkheid. Aanvankelijk werd hij door Soekarno naar Nederland gestuurd om in Wassenaar op de Indonesische ambassade te gaan werken. In 1964 kwam hij met zijn gezin naar Nederland. Toen hij vlak daarop Indonesië bezocht vond net de machtswisseling plaats en dook hij drie jaar lang onder. Hij werd verraden, opgepakt, vastgezet en pas in 1981 weer vrijgelaten. Tijdens zijn gevangenschap werd hij vier keer voor een vuurpeloton gezet, bij wijze van schijnexecutie.

‘Mijn vader had eerder vrij kunnen komen via een amnestieregeling als verzetsheld, maar hij wilde alleen uit de gevangenis als dat voor iedereen gold. Dat was zijn politieke overtuiging, hij wilde niet bevoorrecht zijn. Een Nederlands verzetskruis heeft hij ook niet aan willen vragen’, vertelt zijn dochter. Koesoemobroto probeerde zijn jonge bewakers van inzicht te voorzien. Zo was er een keer een ‘heropvoedingsuitje’ naar het standbeeld van een van de helden van de strijd, het was zijn broer die destijds was gedood. ‘“Koesoemobroto”, zei een van de bewakers, “is dat familie van jou?” “Ja”, zei mijn vader, “dat is mijn broer. Wij hebben allemaal voor de vrijheid van Indonesië gevochten, en kijk wat jullie nu met mij doen.”’

Net als Sjahrir kon Koesoemobroto zijn kinderen niet zien opgroeien. ‘Wij wisten niet eens of mijn vader dood of levend was’, zegt Murjani. Toen haar zusje begin jaren zeventig een dodelijk ongeluk kreeg lokaliseerde de burgemeester van hun woonplaats Koesoemobroto via het Rode Kruis en Amnesty International op het gevangeneneiland Buru, dat onder de Nederlanders dezelfde functie had. ‘Mijn overtuiging dat waar ik voor sta, dat dat goed is, dat houdt mij overeind. Zo kwam mijn vader erdoorheen schreef hij mij in brieven’, aldus Murjani.

Terwijl Sjahrir in Indonesië de status kreeg van nationale held ontvingen de voormannen van de Indonesische revolutie in Nederland geen blijvende plek in de nationale herinnering. Maar de strijd van mensen als Sjahrir en Koesoemobroto kleurt de complexiteit van oorlog in. De vraag die Roelfzema destijds opwierp, blijft helaas onverminderd actueel.