Verzamelaar van kindsbeen

‘In Nederland is er niet echt een geefcultuur’

Advocaat en kunstverzamelaar Maurice van Valen verblijdde het Stedelijk Museum onlangs met 63 kunstwerken. ‘Ik hoop met deze schenking een voorbeeld te stellen.’

VANUIT het Amsterdamse huis van Maurice van Valen kijk je uit op de kruising van de Stadhouderskade en de Van Woustraat. Links zie je het Westeinde, ooit roemrucht centrum van de Nederlandse opiniejournalistiek, al decennia huis voor huis in de steigers. Rechts de glazen, cilindervormige Nederlandsche Bank. Daarachter ligt de chique Utrechtsestraat. De Van Wou is volks, met kleine winkeltjes, sleutelboeren en friettenten, grote goedkope ketens. De gevels aan de Stadhouderskade zijn oud en monumentaal, maar lang niet zo goed onderhouden als die in de grachtengordel. De weg is druk, altijd wat lawaaierig.
‘Het is zo fijn stads hier’, zegt Van Valen.
Het huis van advocaat en kunstverzamelaar (in die volgorde) Van Valen oogt museaal - kalm, ruim, licht, de moderne kunst aan de muur hangt daar bijna als vanzelfsprekend. Aan de ene kant van zijn woonkamer een licht, zacht schilderij van de jonge Amerikaan David Korty, door een zee van sneeuwvlokken kun je heel miniem de torenende gestalte van een flatgebouw waarnemen. Daar tegenover een nieuwe aanwinst: een werk van Johan Lennarts uit 1960, een bijna vergeten Nederlandse schilder, twintig jaar geleden overleden. Het doek gloeit de kamer in; het is een vage afbeelding van een donkere struik tegen een pastelachtergrond, minutieus geschilderd, strook over strook, waardoor er diepte en warmte in de struik komt. 'Een vondst’, zegt Van Valen. Vorig jaar kocht hij het van de erven van Lennarts en van een andere verzamelaar, samen met nog zo'n twintig schilderijen en tekeningen. Hij laat ze nu schoonmaken en hoopt er ooit iets mee te doen. Wellicht een kleine tentoonstelling, om Lennarts weer wat in de aandacht te brengen.
Van Valen is bijna veertig, vitaal en vrolijk. Licht Brabants accent. Spijkerbroek, gympen. Zongebruind, net terug uit Los Angeles. Begin dit jaar kwam hij in de media omdat hij een schenking aan het Stedelijk Museum deed van 63 kunstwerken, uit zijn privé-verzameling - waarvan volgende week een tentoonstelling opent. Een statement, want het Stedelijk leed al onder genoeg slechte persaandacht. Van Valen: 'Meteen belde De wereld draait door. Of ik langs wilde komen en of ik dan drie kunstwerken mee kon nemen. Ik begon er maar niet aan. Ik heb veel beweegredenen voor deze schenking, en bij DWDD zou ik er al na één door de tijd heen zijn. De meeste media heb ik afgehouden. Ik heb onderschat hoezeer mensen van mijn schenking, ook gezien mijn leeftijd, zouden opkijken.’
Hoe lang verzamelt u al?
'Ik kocht voor het eerst kunst toen ik vijftien was. Een serie litho’s van Corneille, uit de jaren vijftig. Mijn vader ging op een zaterdag naar Den Bosch, omdat hij boekhoudkundig advies gaf aan galerie Hüsststege. Ik ging mee, en tijdens zijn afspraak liep ik daar wat rond. Ik was nog nooit in een galerie geweest; als er destijds bij ons thuis iets over kunst of cultuur op tv kwam, werd er vlug gezapt. Dit was voor het eerst dat ik heel direct, één op één, met kunst in aanraking kwam - en ik was echt betoverd.
En ik had geen idee waarom. Ik kende Corneille hooguit van een plaatje op zo'n gratis pen die je bij een bankrekening kreeg. Dus ik stelde vragen aan de galeriehoudster, die me heel vriendelijk van alles over de kunstwerken vertelde. Wat kostte zo'n serie litho’s? Tweeduizend gulden, antwoordde ze. En toen zei ik tegen mijn vader: dit wil ik kopen.
Dat geld had ik. Als kind spaarde ik alles; alles wat ik kreeg van mijn opa en oma, voor Kerst, voor mijn verjaardag, zette ik weg op Zilvervloot-achtige spaarrekeningen. Toen ik vijftien was stond er vijftienduizend gulden op. Enorm veel. Mijn vader was natuurlijk verbaasd. De galeriehoudster zei dat ik me er geen buil aan kon vallen, en dat als ik er spijt van zou krijgen ik het zo mocht terugbrengen.
Ik zat terug in de auto van Den Bosch naar Eindhoven, waar we woonden, en ik had echt het besef: dit is het begin van iets moois, van iets heel groots. De weken daarna haalde ik de Corneilles elke dag uit hun map, legde ze op tafel en dan keek ik ernaar. Ik voelde een spanning, een opwinding. Mijn jeugd was niet de gelukkigste tijd. Ik was veel ziek, miste soms maandenlang school. Ook de thuissituatie was niet gemakkelijk. Daarom ging ik op zaterdagen vaak met mijn vader mee op pad. Die kunst gaf me heel onverwacht een helend gevoel, het was iets wat het dagelijkse, het wereldse oversteeg.’
Hoe ging u daarna verder?
'Ik kocht bijvoorbeeld van een Eindhovense galerie een serie zeefdrukken van Keith Haring. In eerste instantie was ik erg door die pop art of graffiti art, dat figuratieve, de vrolijke kleuren getroffen, maar na een jaar of twee was ik op Haring uitgekeken en wilde ik een andere kant op. Ik wilde de werken verkopen en bracht ze naar Christie’s. Mijn vader moest mee, omdat ik nog geen achttien was. Ik liet ze verlegen mijn map met litho’s zien en vroeg of ze er iets mee konden. Nou, dat konden ze wel. Ik geloof dat die vijf Harings dertigduizend gulden opbrachten. De opbrengsten van de verkopen van een groepje werken waar ik niet veel meer mee had vormde toen mijn oorlogskas, daarmee kon ik echt gaan verzamelen.’
Ging u systematisch te werk? Verdiepte u zich in stromingen?
'Nee, het ging juist heel organisch. Wat ik echt interessant vond, was om met kunstenaars te praten, dus soms schreef ik brieven. Aan Jan Schoonhoven, of Armando of JCJ Vanderheyden of ik eens bij ze langs mocht komen in hun atelier. Dat vond ik doodeng. Ik was, en ben, geen intellectueel. Ik wist niet wat ik hun moest vragen. Maar bijna iedereen stond er heel open voor. JCJ Vanderheyden had een geweldig sferisch atelier in Den Bosch, net achter de Sint-Jan. Een middeleeuws huisje. Ik werd er kind aan huis. Hij ontving me en dan dronken we koffie in de tuin en praatten we over het leven. Daarna gingen we dan naar zijn atelier waar alles leek te kloppen - en liet hij me zien waar hij aan werkte. Onze band voelt als familie.’
Waarom bent u rechten gaan studeren, en geen kunstgeschiedenis?
'Ik kon pas heel laat gaan studeren. Omdat ik door ziekte veel school miste, moest ik parttime onderwijs volgen, en de enige parttime opleiding die voor een vijftienjarige openstond was de mavo. De “moedermavo” noemden we dat, omdat het ’s avonds was, voor huisvrouwen, maar in werkelijkheid zat het vol met drop-outs. En ik. Al met al had ik mijn vwo-diploma pas toen ik 21 was. Ik ging rechten studeren; omdat kunst zozeer mijn passie was, had ik niet de behoefte het te studeren. En ook omdat ik wist: als ik wil blijven verzamelen moet ik ook een goed salaris verdienen.’

IN 2004 OPENDE Van Valen met zijn partner een eigen galerie: Galerie Bowie Van Valen, in Amsterdam Oud-West. Daarvoor had hij drie jaar in New York gewerkt, voor een van de meest vooraanstaande Nederlandse advocatenkantoren, en was hij volledig ondergedompeld in de kunstwereld. 'Ik wist toen zo goed wat er omging in de New Yorkse kunstwereld. Kende alle kunstenaars, ging naar alle galerieën en musea.’ Vrienden drongen er bij hem op aan dat dit het moment voor hem was voor zijn eigen galerie. Het liep goed, wat omzet en aandacht betrof, maar Van Valen werd er niet gelukkiger van. Opeens moest hij de verzamelaars met wie hij bevriend was als cliënten behandelen. Zijn Amerikaanse vriend kon zijn draai niet vinden in Nederland. Na vijftien maanden trokken ze de stekker eruit en ging hij weer de advocatuur in, in de fusies & overnames. 'Ik heb er in het geheel geen spijt van dat ik de galerie destijds geopend heb, maar nog minder spijt dat ik gestopt ben.’
Tijdens uw studietijd ging u al naar de kunstbeurzen, doet u dat nog steeds? Hoe blijft u op de hoogte van wat er verschijnt?
'Jarenlang ging ik biënnales en kunstbeurzen af. Venetië, Art Basel, Frieze en Basel Miami. Maar ik merk dat dit soort events minder belangrijk voor me zijn geworden. De meeste informatie verkrijg ik van mensen uit mijn netwerk, wier oordeel ik vertrouw, zeg maar kindred spirits. Vaak met een voorliefde voor “artist’s artists”. Wat voor mij essentieel blijft is het atelierbezoek. Ik wil altijd weten waar de kunst vandaan komt, wie de maker is, uit welke bron het komt. Er verschijnt natuurlijk heel veel kunst, die op beurzen en in galerieën wordt aangeboden. Maar daar zit heel veel onbezield werk tussen, iets wat op kunst lijkt maar dat niet is.
Afgelopen weekend heb ik in Los Angeles het atelier van William Leavitt bezocht. Een verlegen man, eind zestig. Het was een spannend bezoek. Ik heb een groot zwak voor kunst uit de West Coast en heb behoorlijk veel tijd in Los Angeles doorgebracht. Een groot deel van de door mij geschonken werken is van Los Angeles-based kunstenaars. Het is soms hardcore conceptueel werk, maar ook heel erg California verbeeldend, fantasie prikkelend en soms een link met technische en narratieve aspecten van Hollywood.’
Van Valen pakt er een map bij en laat foto’s zien van Yutaka Sone, een Japanse kunstenaar die in California werkt, die vrolijk een houten kist openbreekt. 'Je moest de kist kopen, zonder deze open te maken. “Surprise box” heette het, uit 2004. Ik kende Yukata, was overtuigd van zijn werk - zelfs als hij de kist niet openmaakte vond ik het de moeite waard.’ Uit de doos rolt vervolgens een sneeuwpopkostuum, dat Sone op de foto’s aantrekt en waarin hij begint te dansen - het maakt deel uit van zijn schenking aan het Stedelijk. Het is een van de werken waar hij met verdriet afscheid van neemt, maar hij heeft nog een sneeuwpopwerk van Sone over: een klein schilderij dat in zijn trappenhuis hangt: de sneeuwman in een sneeuwstorm die van Californische stranden en palmbomen droomt.
'Ook Leavitt is een typische Westkust-kunstenaar; zijn werk is enorm LA, meer LA kun je het welhaast niet krijgen; Californische architectuur, straatbeelden, interieurs, patio’s, filmsets, en “gewone objecten” die futuristische gedaanten aannemen. Al eind jaren zestig spendeerde hij veel tijd met Nederlandse kunstenaars zoals Bas Jan Ader en Ger van Elk. In die tijd was er een duidelijke uitwisseling tussen Amsterdam en Los Angeles. Ik vind het een geweldig voorrecht om fysiek deelgenoot te zijn van de opnieuw aangehaalde banden tussen LA en Amsterdam.’
Vandaar de gift aan het Stedelijk?
'Wanneer je net als ik 25 jaar verzamelt, dan dijt je collectie vanzelf uit. Je kunt al lang niet meer alles aan de muur hangen, werk waar je zoveel van houdt moet noodgedwongen in de opslag. Nu ben ik heel erg hebberig; als ik iets zie wat ik erg goed vind, moet ik het hebben. Maar zeker sinds mijn moeder is overleden ben ik toch ook tot de conclusie gekomen dat eigendom vergankelijk is. Ik bezit deze kunstwerken nu, maar van wie zijn ze als ik er niet meer ben? Bovendien ken ik veel van de kunstenaars, ben ik met ze bevriend, en zou ik wel heel graag hun werk willen inzetten, het laten zien. Dat komt op de eerste plaats.
Ik heb drie jaar in Londen gewoond en gewerkt, en op een gegeven moment werd ik gebeld met de mededeling dat Ann Goldstein de nieuwe directeur van het Stedelijk zou worden. Wow, dacht ik. Te gek. Ik wist dat ik weer naar Nederland zou verhuizen. Ik dacht: dit gaat een feestje voor me worden. In de Verenigde Staten wordt ze op handen gedragen en gezien als een van de beste curators in het land. Ik kende haar, een beetje. Tijdens mijn bezoeken aan Los Angeles, waar ze senior curator was bij het Museum of Contemporary Art, kwam ik haar regelmatig tegen en dan maakte ze altijd even tijd voor een praatje, heel enthousiast en genereus.’
Dat is niet per se het beeld dat je van haar krijgt in de Nederlandse media.
'Ik wist dat het in Nederland moeilijk voor haar zou kunnen worden. Nederland is wat kunstklimaat en wat mentaliteit betreft heel anders dan de VS. Wat bij het Stedelijk tegenzit komt nog eens boven op de irritatie die toch al in de afgelopen jaren was opgebouwd - waar Het Parool bijna dagelijks handenwringend over schrijft. Met een gesloten museum waren Anns handen gebonden - ze kon niet laten zien waar ze in de VS zo om geroemd wordt. Bij mij kwam toen steeds meer het idee: ik moet voor het Stedelijk en rondom Anns benoeming iets positiefs doen: een statement maken tegen die jarenlange negatieve sentimenten. Ik vind dat we met z'n allen, kunstenaars, curators, verzamelaars én kunstpers een verantwoordelijkheid hebben om dit fantastische instituut te steunen en te omarmen, zeker in deze tijd van verschraling van het kunstklimaat. De werken die ik heb geschonken zal ik missen, het zijn werken waar ik met grote liefde mee heb geleefd. Maar de positieve energie die deze schenking losmaakt is voor mij zo enorm verrijkend, het is een van de leukste dingen die ik tot nu toe heb gedaan.’
Heeft u voorwaarden aan de schenking verbonden?
'Nee. In eerste instantie hoefden de werken ook niet in een aparte tentoonstelling te worden getoond. Ann en Martijn van Nieuwenhuyzen stelden dit echter met groot enthousiasme voor, wilden er graag mee aan slag. Ik vind het nu geweldig dat er een selectie van de geschonken werken zal worden getoond.’
Past dit voor u binnen het kader van 'het moderne mecenaat’, waar nu zo veel over wordt gesproken?
'Nederland kent niet echt een “geefcultuur”, althans niet een die te vergelijken is met die in de VS. Daar zie je in zoveel musea kleine, ingegraveerde, koperen plaatjes onder kunstwerken hangen met: “Dit werk is een gift van meneer of mevrouw…” In Nederland zie je dat zelden. De kunstmarkt is al jarenlang enorm dominant. Prijzen zijn sky high, terwijl de aankoopbudgetten van musea, ook als gevolg van de bezuinigingen, steeds kleiner worden. Zonder giften van particuliere verzamelaars, hetzij in natura, hetzij in cash, kunnen musea hun collectie niet op serieus niveau blijven uitbreiden. Ik hoop met deze schenking een voorbeeld te stellen.’


Vanaf 10 mei is een selectie van de schenking van Maurice van Valen te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam