Voorbij het eigen gelijk #2: Ftsum Abraham

‘In Nederland leven betekent met Nederlanders omgaan’

Binnen twee maanden reisde de Eritrese vluchteling Ftsum Abraham naar Nederland, waar hij een bovenwoning in het Friese Ferwert toegewezen kreeg. Het contact met de mede-dorpsbewoners verloopt wat lastig: Fries leert hij niet op de inburgeringscursus.

Als de vrouw van de Eritrese Ftsum Abraham (34) begin dit jaar naar Nederland komt, geeft hij een feestje voor de hele buurt. Op de inburgeringscursus heeft hij geleerd dat Nederlanders elkaar uitnodigen met kaarten. Dus bemachtigt hij er een stel bij Pijnacker, een winkel in zijn Friese woonplaats Ferwert, die geen nee verkoopt. Hij schrijft er Nederlandse zinnetjes op die hij op de cursus heeft geoefend. Hij duwt ze bij alle buren door de bus.

Op 4 februari vliegt zijn lieve Rahwa (24) vanuit Ethiopië naar Nederland en even later wandelt ze in Ferwert het bovenhuis binnen waar hij al bijna een jaar in zijn eentje woont. De huiskamer zit propvol. Er zijn Eritrese vrienden uit de rest van Nederland gekomen, maar vooral Friezen uit de buurt. Ze eten vlees en groente met taita, oftewel de Eritrese pannenkoeken die in grote hoeveelheden worden opgediend.

Rahwa is al snel bekaf van alle nieuwe indrukken en gaat slapen. Het maakt niet uit, voor Ftsum is het feest geslaagd: eindelijk heeft hij contact gemaakt met de buurt. En het genoegen is wederzijds, denkt hij. De buren vinden het eten heerlijk. ‘Wat leuk toch, al die Eritrese mensen’, zeggen ze tegen hem.

Nu kan het leven in Nederland écht beginnen. Rahwa is gekomen en ze krijgen in het dorp ongetwijfeld een sociaal leven. Ze zullen opgaan in dit gemeenschapje bij de Waddenzee. Ze zullen net als in Eritrea geregeld met mensen verkeren. Constant met zijn tweetjes zijn, dat is voor Ftsum en Rahwa onvoorstelbaar.

Medium mvdgftsum3737
Ftsum en Rahwa Abraham zouden het niet erg vinden als er eens iemand aanbelt om kennis te maken © Martijn van de Griendt

Ftsum weet dat Nederlanders meestal op afspraak bij elkaar over de vloer komen. Dat is anders dan in Eritrea, maar prima, hij past zich aan. Alleen was lange tijd zijn vraag: hoe kom ik aan een afspraak? In Ferwert is het doorgaans stil op straat. Het dorp telt krap tweeduizend inwoners, onder wie nogal wat ouderen. Voordat Rahwa kwam, vond hij het gewoon eng, zo weinig mensen zag hij per dag. Zelfs als hij boodschappen deed in de Spar was hij meestal alleen.

Kwam hij wel iemand tegen, dan beperkte het contact zich tot een groet. ‘Hoi’, zeiden de Friezen. Dan zei Ftsum ‘hoi’ terug. ‘Hoi’ werd een van de eerste woorden die hij in Friesland leerde. Uiteraard was zijn gebrekkige kennis van het Nederlands de muur die tussen hen in stond. Maar in Ferwert was er een bijkomend probleem: iedereen sprak Fries of Nederlands dat heel erg leek op Fries. Tja, dat leerde hij niet op de inburgeringscursus.

Op het welkomstfeest voor Rahwa voert hij voor het eerst met een aantal dorpsbewoners kleine gesprekjes. Als iedereen zijn best doet, lukt het prima. Dat stemt hoopvol. In Ferwert wonen nog een handvol andere Eritreeërs die hij af en toe ziet, maar hij wil per se ook Nederlanders leren kennen. Of Friezen, hoe ze zichzelf maar noemen. ‘Als ik alleen met Eritreeërs omga, is dat hetzelfde als in Eritrea’, vindt Ftsum. ‘In Nederland leven, betekent met Nederlanders omgaan. Zo leer ik alles wat ik moet weten.’

Vijf maanden later bezoek ik Ftsum en Rahwa om te vragen hoe het met hen gaat. Is de droom over samenleven in Ferwert uitgekomen? Het dorp oogt lieflijker dan in de grauwe februarimaand, dat is al wat. Het is net zomer geworden en even buiten het dorp scheren de vogels ongestoord over de akkers. Op de zeedijk liggen lome schapen te stoven in de zon.

Ftsum en Rahwa wonen naast de Spar, op de bovenste verdieping van een negentiende-eeuws pand. ‘Ho-oi’, roept Ftsum in het trapgat als hij de voordeur opendoet. Hij begroet Anneke Klein (54), die mee op bezoek gaat. Zij woont even buiten de bebouwde kom, richting de zeedijk, en helpt Ftsum wekelijks met de inburgeringscursus. ‘Anika’ noemt hij haar consequent.

In de woonkamer brandt Rahwa rauwe koffiebonen in een gaatjespan. De salontafel staat vol noten, popcorn en koekjes. Op de televisie wordt de talkshow van Eva Jinek van de vorige avond herhaald. ‘Goed voor mijn Nederlandse taal’, lacht Ftsum.

De twee zijn nog steeds blij dat ze weer bij elkaar zijn, dat is duidelijk. Als zij naar de keuken gaat, loopt hij haar achterna en zegt in het Nederlands: ‘Hi vrouw.’ Zij grinnikt: ‘Hoi.’ Waarop hij antwoordt: ‘Kan ik helpen?’ Ze schateren het uit. Rahwa is net begonnen met de inburgeringscursus, maar een gesprek voeren in het Nederlands zit er nog niet in. Ftsum kan dat intussen wel.

Hij vertelt wat hem in Nederland heeft gebracht: de militaire dienst in Eritrea. Acht jaar zat hij verplicht in het leger en hij had geen idee hoe lang hij nog moest. Hij was kustwacht en moest boten besturen. Hij wist alles van scheepstechniek, leuk en aardig, maar hij wilde verder met zijn leven. Hij was al begin dertig. ‘Ik wilde naar school, maar ik moest wachten, wachten, wachten. Er kwam geen einde aan. Het was alsof ik dood was.’

Volgens Vluchtelingenwerk heeft Eritrea een van de meest onderdrukkende regimes ter wereld. Dat uit zich onder andere in de abnormaal lange dienstplicht die veel Eritrese mannen het land doet ontvluchten. In 2015 waren wereldwijd bijna vierhonderdduizend Eritreeërs op de vlucht. Begin 2016 woonden er 8151 in Nederland.

‘Soms droom ik nog over weggaan uit mijn land. Als ik wakker word, denk ik: gelukkig, ik ben in Ferwert’

Ftsum ontsnapte aan zijn eenheid in 2015. Hij ging te voet richting de grens met Soedan, wat inhield dat hij ’s nachts liep en overdag schuilde. Bij de grens was het spannend, want daar werd geschoten op alles wat bewoog. Het lukte hem ongezien in Soedan terecht te komen. ‘Soms droom ik nog over weggaan zonder toestemming, weggaan uit mijn land. Dan ben ik bang en als ik wakker word, denk ik: gelukkig, ik ben in Ferwert.’

In Soedan belde hij Rahwa, die niets van zijn vluchtplannen wist. Ze begon te huilen toen ze hoorde dat hij niet langer in Eritrea was. Ze kenden elkaar uit hun dorp, vlak bij de Eritrese hoofdstad Asmara, waar ze opgroeiden en trouwden. Nooit had hij haar verteld dat hij naar Nederland wilde. ‘Ik had dat alleen in mijn hoofd bedacht.’

Hij kende Nederland van het boerenbedrijf van zijn ouders. Hun kippen en de aardappels die ze verbouwden, kwamen uit Nederland. Dat sprak altijd tot zijn verbeelding. In Nederland was de boerenstand goed ontwikkeld, daar zou hij iets kunnen betekenen. Maar doorslaggevend in zijn keuze voor Nederland was de vrijheid. ‘Ik wilde niet langer bang zijn en om me heen kijken of ik iets verkeerds deed.’

Soedan kwam hij ongeschonden door, wat lang niet elke Eritrese vluchteling hem kan navertellen. In Soedan zijn mensensmokkelaars actief die vluchtelingen vasthouden, martelen en verkrachten in ruil voor losgeld van hun families, zo constateerde Human Rights Watch in 2014. Sommigen worden gemarteld terwijl hun familie in Eritrea door de telefoon hun geschreeuw kan horen.

Ftsum maakte niets van dit alles mee. ‘Ik denk dat God mij beschermde’, zegt hij, naar boven wijzend. Hij draagt een kruis om zijn nek, net als Rahwa. De muren in hun huis zijn behangen met posters van Jezus. Ftsums reis naar Nederland duurde twee maanden, wat in vergelijking met andere vluchtgeschiedenissen extreem snel is.

Van Soedan trok hij naar Libië, waar hij op een boot van mensensmokkelaars stapte. Hij belandde in Zuid-Italië en pakte de trein naar Nederland. Op 20 juni 2015 kwam hij hier aan. Hij had gehoord dat hij naar Ter Apel moest, waar hij zich meldde als asielzoeker. Het jaar daarna woonde hij in asielzoekerscentra in Zaandam, Stadskanaal en Valkenswaard, tot hij in juni 2016 zijn bovenwoning in Ferwert kreeg.

Hij was blij met zijn knusse huisje, maar vond de straten in deze uithoek van Nederland opvallend stil. Hij dacht: even geduld, het kost tijd om mensen te leren kennen. Gelukkig had hij al gauw zijn handen vol aan de inburgeringscursus. Drie dagen in de week ging hij voor les naar Dokkum, op andere dagen deed hij zijn huiswerk.

In augustus ontmoette hij Anneke. Dat was een opluchting voor Ftsum. Ze wachtten allebei op de bus aan de Hoofdstraat. Het regende en ze moesten schuilen. ‘Waar woon je?’ vroeg Anneke. ‘Hier, in dit dorp, maar ik zie nooit iemand’, antwoordde Ftsum. In de bus gingen ze naast elkaar zitten. Ftsum zei: ‘Kom je eens naar mijn huis?’

Een paar weken later stond Anneke voor zijn deur. ‘Ik moest dat doen’, zegt ze. Ftsum was er blij mee: ‘We zijn vrienden geworden.’ Anneke knikt, zo ervaart zij het ook. Geregeld helpen Ftsum en Rahwa nu in de tuin van Anneke en haar man. Het is soms een lawaai van jewelste als ze op de zitmaaier over het gras jakkeren. Dikke lol hebben ze.

Maar ja, verder is het met de Nederlandse contacten nog niet erg opgeschoten. Het welkomstfeestje voor Rahwa heeft niet geholpen. Af en toe maken ze een praatje met de benedenbuurman, met wie ze de voortuin delen. Ze hebben twee keer bij elkaar gegeten. ‘Hij is heel aardig’, zegt Ftsum. Sinds kort gaat Rahwa voor Nederlandse les wekelijks naar Bertha, een dame een paar straten verderop. Dat is alle aanspraak die ze hebben in het dorp.

‘Ik zou het niet erg vinden als iemand bij ons aanbelt en zegt: ik wil graag met jullie kennismaken’, zegt Ftsum. Maar zo werkt het in Nederland niet, dat weet hij. Het omgekeerde, dat hij aanbelt bij wildvreemden, is al helemaal niet aan de orde. Hij vermoedt dat mensen bang van hem worden als hij ineens voor de deur staat. ‘Dan zien ze een zwarte man en denken ze: wat wil díe nou?’

Via de gemeente Dantumadiel kreeg hij dit voorjaar een stage aangeboden bij werk-leerbedrijf Nef in Dokkum voor twee dagen in de week. Hij verpakt er spullen als zout en papier. Hij is blij met deze kans. ‘Werken is goed voor de geest’, zegt Ftsum, hoewel het makkelijk werk is. Als de lopende band vastloopt, is hij degene die hem weer aan de praat krijgt. Maar ook hier doet hij geen nieuwe contacten op. Zijn collega’s zijn vooral oudere mannen die onderling constant Fries praten. Hij heeft geen idee waarover ze het hebben.

Ftsum wil per se in oktober klaar zijn met de inburgeringscursus. ’s Ochtends om zes uur staat hij op om te leren. Daarna vertrekt hij naar school of naar Nef. Zodra hij zijn diploma heeft, gaat hij werk zoeken. Hij wil alles doen, als hij maar kan werken. Als hij maar zijn eigen geld kan verdienen. Als hij maar tussen de Nederlanders komt. Want Eritrea is voorbij. ‘Ik wil daar niet meer aan denken. Ik kan toch niet terug.’ Natuurlijk belt hij met familie in Eritrea, maar zijn toekomst ligt hier.

‘Ik snap het niet. Vluchtelingen moeten Nederlands leren, maar in Friesland praat iedereen Fries’

Anneke legt uit hoe het volgens haar zit met de contacten die Ftsum zo graag wil. ‘Ik heb jou geleerd dat Nederlanders de kat uit de boom kijken, ken je die uitdrukking nog?’ Soms vragen mensen uit Ferwert aan háár hoe het met Rahwa en Ftsum gaat. Prima, zegt ze dan, maar ze denkt erbij: waarom vraag je het ze zelf niet? Pas laatst besefte ze dat de meesten daar te terughoudend voor zijn. ‘Nederlanders zijn een beetje verlegen, ze wachten af.’

Anneke denkt niet dat dit sterker geldt voor Friezen dan voor andere Nederlanders. Bijna vier jaar geleden betrokken zij en haar man hun huisje vlak bij de zeedijk, daarvoor woonden ze in de Randstad. ‘In Amsterdam kennen buren elkaar ook lang niet altijd’, zegt ze. Toen ze naar Friesland verhuisde, kreeg ze van vrienden te horen: ‘O, jullie gaan tussen de stugge Friezen wonen?’ Ze vindt het in de praktijk reuze meevallen. ‘Mensen hebben hier juist alle tijd voor je. Ze maken makkelijk een praatje.’

Hoe kan het dat de ervaring van Ftsum en Rahwa zo anders is? Wat moeten ze doen om tot de dorpsgemeenschap door te dringen? ‘Hoe pakken we het aan?’ vraagt Ftsum. ‘We zijn jong, we willen met mensen praten. Het is niet goed om altijd alleen te zijn.’

We gaan eerst maar eens een wandelingetje maken door Ferwert. Als we het huis verlaten, staat ineens ook de benedenbuurman op straat. Net als Anneke is hij een Randstedeling, maar hij woont hier een stuk korter dan zij. Een jaar geleden verhuisde hij vanuit Utrecht. Ook hij moet wennen, Rahwa en Ftsum zijn niet de enigen. ‘Communicatief heb ik soms wat moeite hier’, zegt hij. Hij heeft het gevoel dat hij ‘als Hollander’ met enig wantrouwen wordt bekeken.

Het is rond zes uur ’s avonds en het is uitgestorven op straat. Zelfs in hartje Ferwert, op het pleintje voor de vijftiende-eeuwse Sint Martinuskerk met zijn zadeldaktoren, is geen mens te bekennen. Maar op andere tijdstippen is het niet veel drukker, benadrukken Rahwa, Ftsum en Anneke. We lopen langs Café ’t Hoekje, waar niemand zit. Bar Happy Days met een afbeelding van Elvis op de deur is dicht. We passeren Pijnacker, waar Ftsum maanden geleden de uitnodigingen kocht voor zijn feest.

Ftsum en Rahwa moeten niet wanhopen, denkt Anneke. Contacten maken kost tijd. Ze begint over de Open Tuinen Dag, waarbij ook inwoners van Ferwert hun tuin openstelden voor publiek. Zo belandden ze met zijn drieën op het erf van een mede-dorpsbewoner die zei: ‘Ik vind het zo erg, al die lelijke verhalen die over vluchtelingen de ronde doen.’

De man vertelde dat hij zelf naast een vluchteling woonde, maar dat wist Ftsum al, want het was zijn Eritrese vriend Kubrom. ‘Ik zou graag met hem willen praten, maar dat lukt niet omdat hij geen Nederlands verstaat’, zei de man. Ftsum bedacht zich geen moment en haalde Kubrom uit zijn huis. ‘Dit is mijn vriend!’ riep hij. Toen antwoordde de man: ‘Hij is ook mijn vriend, alleen weet hij dat nog niet.’

Hij kreeg tranen in zijn ogen en gaf het hele gezelschap twee potten zelfgemaakte rabarberjam mee. Anneke: ‘Toen realiseerde ik me dat het voor iederéén moeilijk is om contact te maken, niet alleen voor vluchtelingen.’

Als ik aan het einde van de zomer opnieuw afreis naar Ferwert, rijden de landbouwmachines af en aan over de Friese wegen en zijn de akkers stoppelig geworden. Het is nog warm, maar Ftsum lacht om die constatering. ‘Vind jij dít warm?’ zegt hij.

Rahwa vraagt in het Nederlands hoe het met me gaat en Ftsum vertelt wat hij over de Nederlandse geschiedenis heeft geleerd. Hij weet waarom 1940, 1945 en 1953 belangrijke jaartallen zijn voor Nederlanders. Hij leert brieven schrijven waarin de woorden ‘omdat’, ‘tijdens’ en ‘misschien’ correct zijn gebruikt. Het laatste examen voor de inburgeringscursus komt dichterbij en Ftsum zet alles op alles om die te halen.

Van de gemeente Dantumadiel moet hij opnieuw drie maanden stage lopen bij Nef. Hij doet het, maar ziet het nut er niet meer van in. Het werk is te simpel voor hem en van het Fries van zijn collega’s steekt hij toch niets op. ‘Ik snap het niet’, zegt hij. ‘Vluchtelingen moeten Nederlands leren, ik ben er dag en nacht mee bezig, maar in Friesland praat iedereen Fries.’

Hij heeft een plan. Hij wil werk zoeken bij een van de loonbedrijven in de omgeving van Ferwert. Hun landbouwmachines zou hij graag bedienen, repareren of onderhouden, het lijkt hem machtig en door zijn ervaringen in de Eritrese militaire dienst is hij technisch goed onderlegd. Maar als het niet lukt, gaat hij solliciteren in een stad. In steden is meer werk dan op het platteland, daarom zijn de laatste decennia zoveel bewoners uit dorpen als Ferwert weggetrokken – hij heeft het zelf op de inburgeringscursus geleerd.

‘Ferwert ligt geïsoleerd’, peinst hij. Het maakt hem niet meer uit. Er is meer in Nederland dan Ferwert. Hij zal zijn best doen in dit dorp, maar als niets lukt, dan kiest hij een andere plek, waar meer leven is. Hij staat op en dekt samen met Rahwa de tafel. ‘Dit is een mooie dag, vind je niet Rahwa?’ Ze lacht naar hem. ‘Eindelijk komt er weer eens iemand bij ons eten’, zegt Ftsum.


Kandidaten voor deze serie kunnen zich melden bij voorbijheteigengelijk@gmail.com