Richard Osinga, Wembley

In Nederland wordt het nooit echt nacht

Richard Osinga
Wembley
Querido, 195 blz., e 16,95

«When I could play for Ajax, I would be president of the world.» Deze woorden komen van Paul Nontako uit Mombasa, Kenia. Zomaar een jongen die het grootste deel van zijn dagen op een afgetrapt voetbalveldje slijt, maar die met deze zin uitdrukking geeft aan het verlangen van duizenden, wie weet zelfs miljoenen jongens in Afrika. In Wembley, de nieuwe roman van oud-diplomaat Richard Osinga (1971), is dit verlangen verbeeld in Wembley, een jongen uit een niet nader genoemd Afrikaans land. Osinga’s debuut Bor in Afrika, waarin hij uit de school klapt over het reilen en zeilen binnen de Buitenlandse Dienst, werd goed ontvangen. Met zijn tweede roman, Klare taal, die handelt over een relatie tussen een Nederlandse man en een Marokkaans meisje, werd Osinga in het rijtje schrijvers geplaatst die de thematiek van de multiculturele samenleving op een individueel niveau wisten vorm te geven. Wembley gaat vooral over de manier waarop een buitenstaander tegen een voor hem vreemde samenleving aankijkt. En die buitenstaander is een illegale immigrant uit Afrika.

Wembley, de beste voetballer van zijn dorp, onderneemt de barre tocht naar het gedroomde Europa. Om te voetballen. Bij Ajax. En hoe heilloos zijn voornemen ook lijkt, vanuit Wembley’s perspectief bekeken lijkt een carrière als stervoetballer niet eens zo ondenkbaar. Binnen een paar maanden is hij immers al topscoorder bij de lokale amateurvoetbalclub. En bovendien, er staan lichtmasten rond het veld, hét teken dat er professioneel gevoetbald wordt. Dat het anders zal lopen, wordt nooit echt een vraag.

Interessanter dan zijn voetbaldroom is Wembley’s kijk op de wereld, Nederland in dit geval. Omdat niets zomaar is wat het is, krijgt de werkelijkheid zoals Wembley haar ziet een bijna mysterieuze kwaliteit. Een kattenluikje, een pak met de ingrediënten voor een kipgerecht: de dingen verliezen hun vanzelfsprekendheid wanneer je ze door de ogen van Wembley bekijkt.

Tegelijkertijd ontbloten Wembley’s observaties parallellen tussen zijn oude en nieuwe wereld: wanneer zijn Nederlandse teamgenoten zeggen niet in magie te geloven, waarom heeft iedereen dan zijn eigen ritueel voordat de wedstrijd begint? De één kust het kruisje om zijn nek, de ander stopt een net gedraaide sigaret ongerookt terug in zijn pakje.

Deze subtiele tikjes tegen de werkelijkheid van de westerling laten zien hoeveel verschillende werelden er in de onze verstopt zitten. En op welke manier deze werelden naast elkaar kunnen bestaan, als water en olie langs elkaar heen glijden, zonder ooit te mengen. Grofweg – en cynisch – bekeken kun je een tweedeling zien: de wereld van mensen die bezitten en de wereld van mensen die bezeten worden. Die gezien worden, en die zien.

Gelukkig kijkt Osinga verder dan dat. Het valt Wembley op dat je de zon niet op ziet komen in Nederland en dat het door de oranje gloed van de straatverlichting nooit echt nacht is. Het gras en de aarde zijn anders en in Nederland vertrekt de bus zonder dat hij helemaal vol zit. Af en toe dreigen deze observaties clichématig te worden. Zoals de constatering dat Afrikanen die langer in Europa wonen een agenda kopen zodat je nooit meer spontaan bij ze langs kunt komen. Zo’n opmerking lijkt afkomstig van een Europeaan die vertrouwd is met de Afrikaanse manier van doen, en deze, onbewust, romantiseert.

De laconieke, naïeve manier waarop Wembley zijn nieuwe wereld waarneemt verhindert dat de roman verwordt tot een klagerig relaas over de ontberingen van een immigrant. Wembley is allesbehalve zielig: hij is opgetogen wanneer hij voor het eerst in zijn leven geld verdient met zijn baan als uitbener van varkensbuiken. Voetbal is zijn religie met de daarbij behorende momenten van extatisch geluk.

Dit naïeve perspectief roept tegelijk verwarring op, omdat het niet consequent gehandhaafd wordt. Bijvoorbeeld wanneer Wembley opmerkt dat een vrouw «steelse» blikken naar hem werpt, en vervolgens niet begrijpt waarom iemand aan hem vraagt wat hij van haar vindt. Dit doet op een bepaalde manier afbreuk aan de consistentie van het karakter: hoe naïef is Wembley nu écht?

Wembley is met vaart geschreven, Osinga’s taal is recht door zee, zijn beelden zijn soms onverwacht bizar. Neem de koeien in lage bewolking. «Zonder poten drijven ze door de landerijen.» In zijn opzet, een samenleving bekeken door de ogen van een buitenstaander, is Osinga geslaagd. Het is alleen niet zomaar een samenleving en zomaar een buitenstaander. Het gaat over een illegale Afrikaanse immigrant in Nederland. De grootste verdienste van de schrijver is dan ook dat hij onzichtbare levens zichtbaar maakt. Levens van de talloze illegalen die je dagelijks in de stad tegenkomt maar die je niet echt ziet. Tot je Wembley leest.