Opheffer

In New York

Ik word wakker in het Chelsea Hotel in de 23ste straat in New York. Ik moet denken aan een discussie die ik gisteren had op het dakterras van het Soho Grand met een filmregisseur. ‘Vergelijken’, zei hij, ‘is eigenlijk een slechte manier van recenseren.’

‘Hoe moet je dan recenseren?’

‘Met persoonlijkheid, met smaak. Dat je veel films hebt gezien, hoef je niet te laten weten, dat is een voorwaarde. Je moet laten zien hoe je die films hebt bekeken.’

Niet iedereen was het met zijn standpunt eens. Een recensent van The New York Times huldigde het standpunt dat niemand zomaar een boek schrijft. Hij doet dat omdat hij andere boeken heeft gelezen. Zo maakt ook niemand zomaar een film. Je zit altijd in een traditie. En als recensent heb je de taak om te laten zien in welke traditie de regisseur zit, dus moet je vergelijken.

De regisseur bleef het onzin vinden.

‘Wat zijn dat voor fucking dingen, die tradities. Do they grow on trees? Do they come from Mars, or do you make them up. Ik wil bij geen traditie horen, en ik wil ook niet dat je dat opschrijft. Onderverdelen in tradities is een burgerlijke opvatting.’

Ik vond het een mooie discussie.

Ik heb straks een afspraak met die regisseur.

Ik loop door de 23ste straat en op de hoek met 8 Avenue ga ik een ontbijtcafé binnen. Het zit er vol met flikkers, zie ik. (Later zal ik ontdekken dat 8 Avenue een soort nichtencentrum is, maar dat weet ik dan nog niet.)

Er komt meteen een man bij me zitten die vraagt waar ik vandaan kom.

‘Uit Amsterdam’, zeg ik.

Hij antwoordt: ‘Ree… choe… liersdwaasstwaat…’ Als een wachtwoord. Ik antwoord charmant dat ik in die straat heb gewerkt, maar dat mijn vriendin en ik heel ergens anders wonen, mijn vriendin en ik wonen in het centrum van Amsterdam en dat vinden mijn vriendin en ik erg fijn, mijn vriendin en ik zijn nu een paar dagen in New York en mijn vriendin en ik logeren in het Chelsea Hotel.

Message understood – hij druipt af.

Ik neem een taxi naar Brooklyn. Daar, tegenover het conservatorium, is een café waar we hebben afgesproken.

Ik vertel hem over mijn avontuur met de homo. De regisseur lacht.

‘Ik heb het gevoel dat homo’s hier vrijer zijn dan in Amsterdam’, zeg ik, en ik schrik enigszins van mijn eigen woorden.

‘Amsterdam is toch de city of sin?’ zegt de regisseur.

‘Er mag steeds minder in Nederland’, antwoord ik, en ik besef hoe waar deze woorden zijn.

‘Homo’s worden vaker dan twintig jaar geleden in elkaar geslagen, de vrijheid van meningsuiting wordt in Amsterdam ook steeds minder, het antisemitisme groeit. Nederland wil weer terug naar 1930.’

‘You talk as if you need another war.’

Ik knik – het lijkt wel alsof we eerst getroffen moeten worden door een oorlog of een andere ramp alvorens we ons weer voor onze vrijheid gaan interesseren.

‘Heeft 9/11 jullie veranderd?’ vraag ik.

‘Ik denk het. Amerika is niet meer het eerste land, New York is niet meer het centrum van de wereld – er heerst hier het gevoel van: het gebeurt nu in Peking en New Delhi, maar het is hier, in New York, wel verdomd veel prettiger…’

Ik ben het er zeer mee eens.