Wout Troost

In ongeluk geboren

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij een voorbeeld voor koningin Wilhelmina: Willem III. Wout Troost schreef de politieke biografie van deze meest kleurloze Oranjevorst.

Voor koningin Wilhelmina was stadhouder Willem III (1650-1702), naast Willem de Zwijger, haar grote held. Toen in 1672 de regering radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos waren, had hij als door God gezonden met machtige hand ingegrepen en de agressieve, wufte en katholieke Lodewijk XIV tot staan gebracht. Tijdens de donkerste uren in de Tweede Wereldoorlog was Willem III voor haar een inspiratiebron, een voorbeeld ter navolging. En het moet gezegd, als felle Oranjeklant was hij op de lagere school ook een van mijn helden. Niet alleen zijn optreden tijdens het «Rampjaar» sprak tot de verbeelding, ook het feit dat hij koning van Engeland was geweest deed mijn ultranationalistische hart sneller kloppen. Wat een grote mogendheid waren «wij» geweest!

En toch was er wat met die Willem III, waardoor hij niet die uitstraling had van Willem van Oranje of van Michiel de Ruyter. Op de een of andere manier kwam de bleke en van onder zijn overdadige krulletjespruik moeizaam kijkende koning-stadhouder niet echt tot leven. Aansprekende, leuke of heldhaftige anekdotes kwam je nooit over hem tegen. Het was allemaal zo serieus, zo saai, zo kleurloos. Zelfs zijn dood had minder allure dan die van de twee andere helden. Tijdens de jacht van je paard flikkeren en vervolgens aan de verwondingen overlijden is toch wel wat anders dan vermoord worden door een vuige paap of sneuvelen tijdens een zeeslag. En dan ook nog eens geen troonopvolger hebben — hij moet de enige Oranje zijn die zelfs geen bastaard heeft verwekt — dat was toch wel heel teleurstellend. Kregen we weer zo'n saai stadhouderloos tijdperk, waar geen geschiedenisboek of onderwijzer chocola van kon maken.

Ook historici hebben het over het algemeen nogal moeilijk gehad met Willem III. Een echt bevredigende biografie bestaat er nog altijd niet. Hoewel het gaat om een historische figuur van driehonderd jaar geleden, en de kruitdampen rond de conflicten uit die tijd inmiddels wel zijn opgetrokken, kostte het historici tot nog toe kennelijk veel moeite om enigszins onpartijdig over hem te schrijven. Als het ging om de binnenlandse politiek voelde de biograaf van Willem zich altijd geneigd stelling te nemen in het conflict tussen de Oranjedynastie en de regenten. Buitenlandse historici, die zich bogen over het leven van de man die tussen 1688 en 1702 de scepter zwaaide over de grootmacht Engeland, voelden zich veelal gedwongen een keuze te maken tussen Willem en zijn belangrijkste rivaal, Lodewijk XIV. Het is dus niet zo vreemd dat «onze» Willem in Engelse of Franse boeken anders wordt beoordeeld.

Het is dus verheugend dat Wout Troost, die achttien jaar geleden promoveerde op de Ierse politiek van Willem, zich nu gewaagd heeft aan een biografie. Helaas heeft hij gemeend zich te moeten beperken tot een «politieke» biografie, waardoor Willem nog steeds niet echt tot leven komt. Nu is er over het privé-leven van deze gesloten en teruggetrokken Oranjevorst zeer weinig bekend, maar Troost heeft er ook wel erg weinig aan gedaan om zijn verhaal over de politiek van Willem III «aan te kleden». Willem mocht dan een vrij kleurloos type zijn, dat hoeft nog niet automatisch tot een kleurloos boek te leiden. De gebeurtenissen waar Willem een rol in speelde, zijn vele tegenstrevers, het gehele tijdvak waarin hij leefde — dat alles zinderde en schetterde van het leven. Willem rolde van de ene oorlog in de andere, wist politiek te over leven in een schier eindeloze reeks conflicten, maar bij Troost blijft het allemaal een bedaarde, overzichtelijke opsomming van ambities, motieven, plannen, successen en nederlagen. Drama wordt het nergens.

Dit gebrek aan drama, waardoor de lezer nergens wordt meegesleept door het verhaal, wordt gecompenseerd door de uiterst heldere wijze waarop Troost de allesbehalve overzichtelijke binnenlandse en internationale verhoudingen schetst. Door dit kader duidelijk weer te geven is hij in staat om de motieven en handelwijze van Willem begrijpelijk te maken.

Willem III was naar eigen zeggen «in ongeluk geboren en in ongeluk groot gebracht». Zijn vader was een week voor zijn geboorte, op 24-jarige leeftijd, gestorven aan de waterpokken. De politieke ambities van Willem II waren voortdurend in conflict gekomen met de belangen van de regenten die in de belangrijkste provincies de dienst uitmaakten. Vandaar dat de Staten van Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel en Gelderland besloten dat het na zijn dood welletjes was geweest en dat men in het vervolg zonder een stadhouder uit het Oranjehuis kon. Willem III groeide dus niet alleen vaderloos op, maar hem werd van jongs af aan voorgehouden dat het zijn taak was de positie van zijn dynastie te herstellen. Het Huis van Oranje kon onder de burgerij en het «gemene volk» rekenen op een enorme populariteit, zodat de stedelijke elites die de dienst uitmaakten, er rekening mee moesten houden dat het opgroeiende prinsje eens aanspraak op de macht zou maken. Vandaar dat ze zich bemoeiden met zijn opvoeding en dat er verschillende wetten werden aangenomen waarin de potentiële macht van Willem zo veel mogelijk werd ingeperkt.

Al vroeg was Willem zich ervan bewust dat hij zeer behoedzaam diende te opereren en dat hij met zijn gevoelens niet te koop moest lopen. Zo was hij altijd zeer voorkomend tegen de feitelijke machthebber in de Republiek, raadspensionaris Johan de Witt, maar liet hij tegenover derden doorschemeren dat ooit de tijd zou komen dat dit anders zou worden.

De machtsstrijd die er uiteindelijk toe heeft geleid dat Willem III in 1672 stadhouder en opperbevelhebber werd, is eeuwenlang beschreven als de strijd tussen twee partijen, de Prins gezinden en Staatsgezinden, met verschillende belangen en met een eigen, zij het vrij rudimentaire, ideologie. De Prinsgezinden streefden naar centralisme onder leiding van een Oranje en vonden hun aanhang onder de massa van het volk, de rechtzinnige predikanten, het leger en de adel. De Staatsgezinde partij bestond uit stedelijke regenten en benadrukte de soevereiniteit van de provincies.

De historicus D.J. Roorda heeft in zijn boek Partij en factie (1962) laten zien dat van echte «partijen» geen sprake was. De politieke macht was volledig in handen van de stedelijke elites die allesbehalve eensgezind waren. Onder de regenten bestonden in iedere stad en provincie allerlei facties die met elkaar streden om de mooie baantjes en economische voordelen. Een duidelijke partijstrijd was er niet, laat staan dat daar allerlei ideologische motieven een rol in speelden.

Hoewel Jonathan Israel in zijn monumentale The Dutch Republic (1995) het onderscheid tussen partij en factie «utterly unhelpful» heeft genoemd, maakt Troost gebruik van dit concept van zijn leermeester Roorda. Dat er geen partijen bestonden, blijkt volgens hem uit de verwikkelingen rond het herstel van de stadhouderlijke macht in de zomer van 1672. Toen probeerden steden als Leiden en Haarlem, die bij uitstek als orangistisch te boek stonden, de macht van Willem III in te perken door hem niet het recht te verlenen stedelijke magistraten te benoemen. De Staten van Holland, die zich in overgrote meerderheid altijd tegen de prins hadden verzet, besloten echter de stadhouder dit recht te verlenen. Ook uit de soepele wijze waarop tal van regenten zich aanpasten aan de gewijzigde omstandigheden blijkt dat opportunisme heel wat zwaarder woog dan eventuele politieke beginselen.

Het belangrijkste deel van het boek van Troost handelt over de buitenlandse politiek van Willem III, die door zijn moeder en zijn vrouw nauw verwant was aan het vorstenhuis van de belangrijkste concurrent van de Republiek, Engeland. De moeder van Willem was de zuster van Karel II, die regeerde van 1660 tot 1685. Toen deze werd opgevolgd door zijn broer, Jacobus II, werd die band nog nauwer, aangezien Willem was getrouwd met diens dochter (en dus zijn eigen nicht). Hoe het mogelijk was dat Willem in 1688 de macht in Engeland greep en zijn schoonvader op de vlucht dreef, wordt door Troost in detail en zeer helder uit de doeken gedaan. Bij deze machtsgreep speelden niet alleen binnenlandse politieke en godsdienstige verhoudingen in Engeland een grote rol, maar ook internationale betrekkingen. De buitenlandse politiek van Willem was volledig gericht op het indammen van de territoriale ambities van Frankrijk.

De grote tegenstrever van Willem was Lodewijk XIV. Beiden beschouwden elkaar als oorlogshitser en gevaar voor de vrede. Dat Nederlanders de Franse koning nog altijd zo zien is, denkend aan de oorlog van 1672-1673, waarbij de Fransen tot diep in de Republiek doordrongen en Utrecht bezetten, niet zo vreemd. Troost wijst er, in navolging van andere historici, op dat de buitenlandse politiek van Lodewijk in die jaren weliswaar vrij agressief was, maar dat de motieven en ambities van Frankrijk voornamelijk defensief van aard waren. De calvinist Willem III en de katholiek Lodewijk XIV hadden een ernstig vertekend beeld van elkaar, hetgeen keer op keer leidde tot conflict, en dus tot oorlog. De vele oorlogen die Willem als Nederlands én als Engels vorst voerde vormden een van de oorzaken van het economisch verval van de Republiek.

Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie.

Uitg. Verloren, 331 blz., ƒ66,-