Het regeerakkoord onder de loep

In ons Gallisch dorp klinkt het Wilhelmus

Groene-redacteuren lezen het regeerakkoord en zien dat de milieuplannen vooral tekentafelplannen zijn, de cultuurplannen vooral nostalgie, het buitenlandbeleid vooral het binnenland betreft, en dat een diepere visie op de economie ontbreekt.

Een filter op fossiel

Jaap Tielbeke

In theorie werkt het als volgt: neem een fabriek of energiecentrale waar fossiele brandstoffen worden verstookt, bouw een installatie op de schoorsteen en injecteer een chemisch stofje dat zich hecht aan koolstofdioxide (CO2). Verhit dit mengsel totdat alleen de CO2 overblijft, maak het gas onder hoge druk vloeibaar en vervoer het via pijpleidingen naar ondergrondse of onderzeese opslagplaatsen. Tuig ten slotte een uitgebreid monitoringsysteem op om te voorkomen dat de boel gaat lekken en voilà: je hebt ‘schone’ fossiele energie. Carbon capture and storage (ccs), heet het. Oftewel: het afvangen en opslaan van CO2.

Small groene akkoord filter op fossiel  uitsnede

Volgens het nieuwe kabinet is het de oplossing voor het klimaatprobleem. In het regeerakkoord staat een klimaatparagraaf met ambitieuze doelstellingen. In 2030 moet de Nederlandse CO2-uitstoot met 49 procent zijn teruggebracht, dat wordt zelfs juridisch verankerd in een klimaatwet. ‘We halen de doelen van Parijs’, verkondigde Alexander Pechtold. Bij zulke zelfverzekerde taal verwacht je een doorwrocht en doortastend actieplan – maar juist dat ontbreekt: over de invulling moet eerst ‘met alle partijen’ onderhandeld worden. Alleen de tabel op pagina 38 geeft een grove indicatie. Veruit de grootste reductie moet komen van ccs: achttien megaton CO2 in dertien jaar, goed voor bijna een derde van de totale extra uitstootvermindering.

Dat is een roekeloos scenario, als je weet dat ccs vooralsnog een tekentafeloplossing is. Verschillende proefprojecten hebben weliswaar bewezen dat het technisch haalbaar is, maar er is een reden waarom grootschalige toepassing niet van de grond komt: het is omslachtig en peperduur. Een pilot in de Rotterdamse haven werd afgelopen juli stilgelegd. Ondanks een subsidie van driehonderd miljoen euro zagen de energiemaatschappijen er geen brood meer in. Zo ging het ook bij soortgelijke projecten elders in Europa. De Noren en Britten investeerden al miljarden in ccs, maar telkens strandden de projecten in de testfase.

Desondanks blijven Shell en ExxonMobil volhouden dat de techniek het perfecte reddingsmiddel is. Logisch, want in tegenstelling tot ander klimaatbeleid vormt ccs geen bedreiging voor hun bedrijfsmodel. Zelfs kolenstokers kunnen fantaseren over ‘schone kolencentrales’. Het fossiele tijdperk hoeft helemaal niet ten einde te komen, er moet alleen een filtertje op.

In de plannen van Rutte III worden de kosten van zo’n filter opgehoest door de samenleving. De subsidiepot die aanvankelijk was gereserveerd voor de stimulering van duurzame energie wordt opengesteld voor de ontwikkeling van ccs. Hoezo de vervuiler betaalt?

Toch gaat bij de industriële energieverbruikers niet direct de vlag uit. De directeur van belangenbehartiger vemw was verbijsterd over het regeerakkoord, zei hij tegen De Telegraaf: ‘Aanvankelijk dacht ik dat het een typfout was, maar toen ik de getallen optelde bleek dat het inderdaad de bedoeling is dat de industrie die achttien megaton gaat afvangen en opslaan. Maar dat is absoluut niet realistisch.’

In de overgang naar een koolstofarme economie is ongetwijfeld een rol weggelegd voor ccs, maar de hoofdrol kan dat onmogelijk zijn. Dat ‘het groenste kabinet ooit’ toch volop inzet op deze problematische techniek getuigt van het soort wensdenken dat het klimaatbeleid al zo lang in de houdgreep heeft. Gokken op futuristische doorbraaktechnologie is zo vooral een excuus voor talmen in het heden.


Waardig oud worden: snoeien in regels

Margreet Fogteloo

‘We hebben een Hugo Borst nodig’, verzuchtte een verpleger in de thuiszorg vorige week in een reactie op het regeerakkoord. Borst schreef vorig jaar een open brief aan toenmalig vws-staatssecretaris Martin van Rijn over wat er mis was in het verpleeghuis van zijn demente moeder en hoe het beter kon: minder managers en kappen met die ddr-achtige bureaucratie. Zijn landelijke actie leidde tot een zak geld. Die belofte is overgenomen; ruim twee miljard gaat naar de verpleegzorg. De thuiszorg voelt zich daarentegen karig bedeeld met slechts 180 miljoen extra voor de mantelzorg.

De toekomstplannen voor de zorg volgen de koers van minister Edith Schippers: het beteugelen van de groeiende kosten. Te bereiken door nog scherper medicijnen en hulpmiddelen in te kopen en door het handhaven van een uitgavenplafond voor de ziekenhuizen, de ggz, de huisartsen en de wijkverpleging. Het vertrouwen in de haalbaarheid ervan wordt echter ondermijnd door de care, de slurppost die ook de nieuwe minister grijze haren zal bezorgen.

Want: de bevolkingsopbouw – de vergrijzing plus de prognose dat iedereen steeds ouder wordt – regeert. Het beleid blijft erop gericht om chronisch zieken en oude mensen zo lang mogelijk thuis te verplegen; de druk op thuiszorg en mantelzorg zal dus niet afnemen. De Branchevereniging Thuiszorg Nederland is terecht teleurgesteld. ‘Aan de ene kant wordt in het regeerakkoord veel waarde toegekend aan de zorg thuis, kleinschalig en op maat in de directe omgeving van patiënten. Aan de andere kant wordt niet geïnvesteerd in de zorg thuis.’ De artsenfederatie knmg mist een langetermijnvisie op die integrale zorg, van thuis tot ziekenhuis, van preventie tot behandeling.

Het draait bovendien niet alleen om geld, ook om het papiermonster rupsje-nooit-genoeg, vooral opgelegd door de zorgverzekeraars, waar de hele medische wereld gek van is geworden. Tezamen met de bezuinigingen op personeel heeft dat geleid tot een negatieve spiraal; werken met minder mensen en met meer formulieren is ten koste gegaan van aandacht voor patiënten en heeft onder het personeel toenemend geleid tot burn-out.

Om dat te doorbreken wil het nieuwe kabinet het snoeimes zetten in de verlammende, tijdrovende administratie. Dat is goed nieuws. En politiek gezien logisch na de protesten, behalve dat van Hugo Borst ook die uit het veld, zoals de beweging Het Roer Moet Om van huisartsen waar zich later ook medisch specialisten bij aansloten. Het voorstel is nu om in ‘gezamenlijke schrapsessies’ te saneren. Voor de thuiszorg moet dat plaatsvinden tussen gemeenten, verpleegkundigen, vrijwilligers, en mantelzorgers. Ook dat klinkt goed.

Alleen houd je je hart al weer vast. Overal in Nederland worden agenda’s getrokken en ruimtes gereserveerd om tussen de bedrijven door met broodjes kaas en slappe koffie te vergaderen over welke regels geschrapt kunnen worden en welke echt niet. In die tijd blijft er van alles liggen: billen wassen, doorligplekken verzorgen, activiteiten organiseren, de huisarts bellen die de spil is geworden in het hele netwerk rond de patiënt.

Met een diepe zucht zal iedereen het toch doen – snoeien is nodig, liefst zo efficiënt mogelijk. Want hier ligt de praktijk van het kabinetsvoornemen om bij medisch-ethische onderwerpen de focus te richten op ‘waardig ouder worden’. Verwarde ouderen die niet meer voor zichzelf kunnen zorgen aandachtig en liefdevol verplegen en hun veiligheid garanderen.


De dominee en koopman maken plaats voor de generaal

Coen van de Ven

De buurlanden van Europa zijn een ‘ring van instabiliteit’ geworden en vooruitgang en internationale samenwerking ‘staan onder druk’. Wie Nederland beschrijft als Gallisch dorp omringd door zoveel dreiging kan eigenlijk alleen nog maar realisme prediken. En dat gebeurt volop in het regeerakkoord. Met forse investeringen in de krijgsmacht, diplomatie en ontwikkelingssamenwerking kijkt Nederland weer over zijn grenzen heen, maar de blik is veranderd. Het kabinet zegt vertrouwen te hebben in de toekomst maar ziet in het buitenland vooral gevaar.

Small groene akkoord generaal uitsnede

Buitenlandbeleid is binnenlandbeleid geworden met veiligheid als hoofddoel. Alle middelen – defensie, ontwikkelingssamenwerking, diplomatie en de EU – worden daarvoor aangewend en verstevigd. De krijgsmacht krijgt haar langverwachte miljoenen voor achterstallig onderhoud, nieuwe wapensystemen en digitale oorlogvoering en na jaren van beknibbelen krijgt ook het diplomatennetwerk er geld bij. Het meest opvallend is zonder twijfel de ChristenUnie-overwinning: meer geld voor ontwikkelingssamenwerking. Al is dat minder rooskleurig dan het op het oog lijkt. Met 1,75 miljard komt er weliswaar fors geld bij, Nederland voldoet als een van de weinige landen weer aan de gestelde VN-norm. Maar het halen van deze norm lijkt eerder een boekhoudkundige prestatie dan een langdurige investering in wereldwijde armoedebestrijding. Allereerst zal een groot deel van het geld direct op gaan aan het wegpoetsen van de flinke minnen die het vorige kabinet op de ontwikkelingsbegroting achterliet. Die ontstonden doordat de onverwachte eerstejaarskosten voor asielopvang in Nederland zijn betaald uit ontwikkelingsgeld. Daarnaast kampt het ministerie nog altijd met de structurele bezuinigingen die de vorige regering inzette. ‘Veel geld erbij’ is dus onder de streep eigenlijk ‘iets minder eraf’.

De teksten over ontwikkelingssamenwerking zijn dusdanig ingewikkeld opgeschreven dat in het rookgordijn dat is ontstaan bijna vergeten wordt dat de extra miljoenen die overblijven een duidelijke bestemming hebben gekregen: ‘Aanvullende uitgaven richten zich in het bijzonder op de oorzaken en gevolgen van migratie.’ Hoewel klimaatverandering en armoedebestrijding genoemd worden, krijgt met name opvang in de regio prioriteit. Dat is volgens het kabinet namelijk niet alleen een gevolg van migratie maar nadrukkelijk ook een oorzaak: ‘Nederland zal de grondoorzaken van migratie bestrijden door een gerichte aanpak voor verbetering van de opvang in de regio.’ Dat hiermee slechts de toestroom naar Europa wordt aangepakt en niet migratie op zichzelf verraadt dat ontwikkelingssamenwerking vooral onszelf moet gaan dienen.

De Europa-visie van het nieuwe kabinet ligt ook in deze lijn. De Grieken, of eventueel andere financieel kwakkelende lidstaten, moeten – niet geheel verrassend – hun problemen zelf oplossen. Van verdere onderlinge solidariteit, iets waar de Franse president Emmanuel Macron graag op hint, kan geen sprake zijn. Wel wil Rutte III de EU aansporen om Europa’s buitengrenzen te verstevigen, onnodige regeldruk te verminderen en grensoverschrijdende criminaliteit aan te pakken.

Werd in het vorige kabinet buitenlandbeleid nog nadrukkelijk gekoppeld aan buitenlandse handel, nu verwordt het tot een vehikel om migratie te beteugelen en een bouwsteen voor een steeds hogere veiligheidsmuur. Waar eerst de dominee het al aflegde tegen de koopman lijkt ook die nu een stap opzij te moeten zetten. Om plaats te maken voor een strenge generaal.


Eerder integreren met minder geld

Irene van der Linde

Khaled Kodsy, een Egyptische christen, is al vier jaar statushouder. Hij werkte als accountant in Caïro, is hoogopgeleid, spreekt naast klassiek Arabisch goed Engels en toen hij zevenenhalf jaar geleden in Nederland aankwam, was hij begin veertig en vol energie. Het nieuwe kabinet zegt te streven naar een snelle integratie van nieuwkomers. Ook Khaled wil dat graag. Hij is blij dat hij hier is en wil heel graag iets terugdoen voor de samenleving. Maar in het nieuwe regeerakkoord staan weinig dingen die hem daarbij helpen.

Small groene akkoord kosten en regels

‘Een effectief en menswaardig migratie- en integratiebeleid’, zegt Rutte III te willen uitvoeren. Wie kan daarop tegen zijn? Maar als je goed leest, straalt hier geen ‘vertrouwen in de toekomst’ uit maar vooral wantrouwen ten opzichte van vluchtelingen. Een nieuwe maatregel is dat statushouders de eerste twee jaar geen bijstand, zorgtoeslag en huurtoeslag krijgen. Gemeenten gaan dat in natura aan hen geven, met wat leefgeld. Kodsy moet lachen als hij dit hoort, hij denkt dat dit leefgeld meer is dan wat hij nu overhoudt. Waarom deze maatregel hem zou helpen sneller te integreren snapt hij begrijpelijkerwijs niet. Hij had graag veel sneller de kans gekregen om Nederlands te leren en werk te zoeken. Nu heeft hij eerst meer dan drie jaar op zijn asieltoekenning moeten wachten, daarna nog een jaar op het krijgen van een huis. In die tijd heeft hij niet aan inburgering gedaan, geen taal geleerd.

Rutte III wil dit passieve wachten in asielzoekerscentra aanpakken en daarvoor een tweestromenbeleid invoeren. Asielzoekers worden direct bij binnenkomst geselecteerd: zij met een grote kans gaan ‘linksaf’ naar kleine opvangcentra, vlak bij een gemeente waar ze later zullen gaan wonen. Ze krijgen direct taalles, ze mogen al integreren en er wordt voor plaatsing gekeken naar hun werkkwalificaties. Ze hoeven dus niet zo vaak als nu te verhuizen, kunnen al contacten opdoen, ook voor schoolgaande kinderen scheelt dat veel verhuistrauma’s.

Een mooi streven, vindt ook Kodsy. De vraag is alleen of hij in deze kansrijke groep zou hebben gezeten. Waarschijnlijk niet. De kans is groot dat hij bij binnenkomst ‘rechtsaf’ was gewezen, de route voor de niet-kansrijke asielzoekers, die in een ‘snelle procedure’ moeten komen om daarna direct uitgezet te worden. Dit klinkt simpel, maar de asielpraktijk is weerbarstig en vooral complex.

Zijn inburgeringsexamen heeft hij nog niet gehaald. Hij is zijn energie verloren en lijdt aan depressies. De commerciële taalschool waar hij lessen volgde, ging failliet. Nu probeert hij thuis via YouTube Nederlands te leren. ‘Waarom komt er geen gratis Nederlandse taalles op internet?’ vraagt hij zich af. Dan kan iedereen op zijn of haar eigen niveau leren. Een school zou daarbij kunnen begeleiden, het zou veel simpeler, flexibeler en goedkoper zijn. Hij wil zo graag werken. Hij zou iemand willen hebben die helpt zijn cv op te stellen, hem uitlegt hoe hij hier werk zoekt, hoe hij zijn diploma’s omzet. Maar dergelijke praktische en effectieve maatregelen staan niet in het regeerakkoord.


Meer armen en meer miljonairs

Dirk Bezemer

Rutte II bezuinigde met de kaasschaaf, Rutte III spendeert met de sproeier. Wat is hier het idee – of beter gezegd, welk idee mist er? Wie daar achter wil komen, moet het akkoord van buitenaf naar binnen toe beschouwen: wat heeft de Nederlandse economie nodig en wat vinden we daarvan terug in het regeerakkoord? Ik verwacht dan antwoorden te vinden op de toenemende ongelijkheid en aandacht voor de toenemende instabiliteit.

De toenemende ongelijkheid van inkomens gaat niet over de middenmoot, maar over de uiteinden van de inkomensverdeling. De armoede in Nederland is de laatste jaren toegenomen, het aantal miljonairs ook. Juist dat type inkomensongelijkheid wordt door Rutte III versterkt. De laagste looninkomens gaan meer loonbelasting betalen, de hogere minder. Ook inkomen uit vermogen blijft onveranderd licht belast; vermogen in pensioen en woning wordt zelfs gesubsidieerd.

En de winstbelasting gaat omlaag. Dat laatste is onverstandig, ook omdat het de groeikracht verkleint. De toegevoegde waarde van de Nederlandse economie wordt grotendeels verdeeld over lonen en winsten. Door de lagere winstbelasting wordt het aantrekkelijker om meer winst uit te keren, en dus minder aan lonen toe te laten vallen. Terwijl ons probleem juist is dat de lonen achterblijven.

Bovendien blijft onze effectieve vraag, belangrijke motor van stabiele groei, zwakker dan nodig. De dividendbelasting voor buitenlandse aandeelhouders verdwijnt zelfs geheel. Rutte III zit er duidelijk niet mee dat Nederland in de top-drie van Oxfams lijstje van belastingparadijzen staat.

En instabiliteit, gaat dat echt over Nederland? Zijn we niet een rijk, saai en stabiel land? Rijk wel, saai misschien, stabiel steeds minder. Nederland had een uitbundige huizen-boom tot 2007 en stagneerde ongewoon lang na de crisis. Nu is de groei juist weer uitzonderlijk hoog. Die uitbundige ups en downs doen ons gemiddeld geen goed. Van de rijke Europese landen hadden alleen Italië en Ierland sinds de eeuwwisseling een lagere gemiddelde groei van het reële inkomen per hoofd van de bevolking. Het ge-jojo is deels van eigen makelij: Rutte II heeft te zwaar bezuinigd, Rutte III gaat in hoogconjunctuur juist los.

Maar voor een ander deel komt de Nederlandse instabiliteit door onze financiële structuur. We hebben lange balansen, met hoge schulden op onze woningen en tegelijk, via onze pensioenen en onze grote, internationaal opererende banken, ook hoge investeringen op de internationale financiële markten. We liften daarom dubbel hard mee met bubbels, en zijn extra gevoelig voor tegenslagen. Hypotheeklenen, de aanjager van onze bubbels, wordt door hypotheekrenteaftrek weliswaar iets minder gesubsidieerd. Maar het eigenwoningforfait gaat juist weer omhoog. Netto blijft de vermogenswinst via huisbezit daardoor onverminderd, en dus blijft lenen te aantrekkelijk in bubbeltijden.

Voor Nederland blijft het goede tijden, slechte tijden. De eerste beleven we nu, de tweede gaan ook wel weer eens komen. Dat vraagt bezinning op de structuur van onze economie. Een beetje visie had dus echt geen kwaad gekund – en dat zijn heus niet per se weidse vergezichten. Visie is aandacht voor wat Nederland nodig heeft. Van buitenaf naar binnen toe denken.


Cultuur met oogkleppen

Koen Kleijn

Het regeerakkoord wijdt zowaar een hele paragraaf aan cultuur, en die begint met de gemeenplaatsen dat cultuur het leven verrijkt en ook goed is voor de economie. Die twee uitgangspunten vertegenwoordigen enerzijds een d66-achtige gedachte over de intrinsieke waarde van cultuur, en anderzijds de materialistische vvd-opvatting dat Rembrandt en Van Gogh nuttig zijn voor het toerisme, maar dat de overheid zich verder niet met de cultuur of de omroep moet bemoeien.

Small groene akkoord cultuur

Het cultuurbudget stijgt in het eerste kabinetsjaar met 25 miljoen, en die stijging zet door tot tachtig miljoen extra in 2020. Dat is mooi, maar het is nauwelijks een reparatie van de bezuinigingen onder Rutte I.

Het akkoord vertoont vooral tekenen van de tegenstelling tussen de Randstad en de provincie, een gevolg van de toetreding van de mannenbroeders van ChristenUnie en cda. Enerzijds spreekt het zich uit voor uitbreiding van de basisinfrastructuur, met aandacht voor de Randstedelijke topinstellingen (lees: De Nationale Opera & Ballet, het Concertgebouworkest, het Rijksmuseum) en een versterking van ‘talentontwikkeling’ (lees: kleinere theatergezelschappen en orkesten), anderzijds moet dat aanbod ook in ‘de regio’ bereikbaar zijn. Met name genoemd worden Groningen, Breda, Eindhoven en Enschede. Dat zou goed nieuws zijn, bijvoorbeeld voor Enschede, waar de afgelopen kabinetsperiodes verschrikkelijk is gehakt in het budget van de Reisopera en het Orkest van het Oosten en waar Rijksmuseum Twenthe zelfs met sluiting werd bedreigd. Die christelijk-regionale input uit zich ook in ‘speciale aandacht voor monumentale kerken, ook als die leeg komen te staan’ en voor versterking van het Cultuurparticipatiefonds, dat muziekonderwijs, cultuureducatie op scholen en amateurkunst steunt.

Het meest opvallend is dat aan dit cultuurbeleid een nationaal doel wordt toegekend: het uitdragen van ‘historie en waarden’, om precies te zijn ‘tolerantie naar andersdenkenden’ en ‘de scheiding van kerk en staat’. Het akkoord ziet die als ‘ankers van de Nederlandse identiteit in tijden van globalisering en onzekerheid’. Dus krijgen schoolkinderen het Wilhelmus op hun bordje en moeten zij verplicht naar het Rijksmuseum.

Deze plannen verraden een nostalgische mentaliteit, die zich slecht verhoudt tot de realiteit van etnische en culturele diversiteit in het land en zelfs tot de idealen van cultuurbeleid zoals het hier beleden wordt. Het Wilhelmus is natuurlijk fraai, maar het staat inhoudelijk op gespannen voet met de scheiding van kerk en staat (‘God zal mij regeren’) en ‘democratisch’ is het al helemaal niet (‘Edel en hooggeboren, van keizerlijken stam’). Oogklepperiger is die verplichte gang naar ‘het’ Rijksmuseum. Daar had om te beginnen beter ‘een’ Rijksmuseum kunnen staan. De gedachte dat er zoiets bestaat als ‘de’ Nederlandse identiteit is op zich al betwistbaar – dixit koningin Máxima – en dat die identiteit het beste ‘verankerd’ is in de zalen van het Rijksmuseum te Amsterdam is al helemaal merkwaardig: dat zou betekenen dat die identiteit gevormd is tussen 1121 (timpaan Abdij van Egmond) en 1921 (Mondriaan), niet eerder en niet later. Dat is een star idee: alsof het Nationaal Openluchtmuseum en de rijksmusea Boerhaave, Catharijneconvent, Gevangenpoort, Kröller-Müller, het Penningkabinet, Museum van Oudheden of het Zuiderzeemuseum daar niet ook vorm aan kunnen geven.