Before Color van William Eggleston

In oorlog met het evidente

De foto’s van William Eggleston, die op een nacht gefascineerd raakte door het kiekje in kleur, zijn minder banaal en alledaags dan ze lijken. Een hotel in Memphis is niet zomaar een hotel in Memphis.

Aan een rafelrand van Memphis schuifelt een man op leeftijd door een nietszeggend landschap van warehouses, rolschaatsbanen en geparkeerde trucks. Hij gaat onberispelijk gekleed en heeft daardoor iets weg van een bohémien uit een oud, aristocratisch geslacht. De zon staat laag, maar nog niet laag genoeg voor het befaamde golden hour, dat korte tijdsinterval waarin alle kleuren een magische intensiteit krijgen. Met een klein zwart fototoestel schiet hij schijnbaar lukraak plaatjes. Hij heeft naar verluidt een groot deel van zijn leven on the fast lane doorgebracht – rokend, drinkend, feestend – en ziet er inderdaad tien jaar ouder uit dan hij in werkelijkheid is. Maar hoewel hij broos oogt, heeft hij een onmiskenbare twinkeling in zijn ogen wanneer hij met een diepe, zuidelijke tongval (denk Tennessee straight bourb_on) en tegen niemand in het bijzonder zegt: _‘Think we have any masterpieces yet?’ Het is de openingsscène van de film William Eggleston: Photographer uit 2008. Een van de drie documentaires die de afgelopen paar jaar over de fotograaf werden gemaakt. Het zegt veel over zijn status.

William Eggleston werd in 1939 geboren in Memphis en zou die stad nooit definitief verlaten, al bracht hij zijn jeugd grotendeels door op een voormalige plantage in Mississippi, bij zijn grootouders. In navolging van zijn groot­vader begon hij al jong te fotograferen, maar het zou tot 1976 duren voordat hij zijn grote doorbraak beleefde. In dat jaar organiseerde John Szarkowski, de vooruitstrevende directeur van het New Yorkse Museum of Modern Art, een solotentoonstelling met zeer persoonlijke kleurenfoto’s die Eggleston had gemaakt in en rond Memphis. De expositie werd door de critici, die nog een appeltje met de nieuwe directeur hadden te schillen, unaniem neergesabeld. ‘Perfectly banal… perfectly boring, certainly’, schreef The New York Times. Die ontvangst staat inmiddels te boek als een van de grootste missers uit de geschiedenis van de fotografiekritiek. Color Photographs, zoals de titel van de tentoonstelling luidde, bleek het begin van de onstuitbare opmars van de kleurenfotografie – tot dan toe slechts geschikt geacht voor amateurs en commerciële fotografen – in de kunstwereld.

In een veelgeprezen essay over het werk van Eggleston, The Tender-Cruel Camera (1999), noemt de Duitse curator Thomas Weski Egglestons bekering tot de kleurenfoto, halverwege de jaren zestig, een ‘dramatisch omslagpunt’, niet alleen qua stijl, maar ook wat betreft de inhoud van zijn werk. Eggleston had, volgens Weski, tot dan toe gefotografeerd in de traditie van Henri Cartier-Bresson, volgens diens maxime van ‘het beslissende moment’ en voorkeur voor zorgvuldig uitgebalanceerde composities. Hij vertelt beeldend hoe de fotograaf op een nacht in een fotolab staart naar de honderden kleurrijke amateurfoto’s die uit de machines rollen, en een bijna religieuze bekering doormaakt. Hoe hij zich vanaf dat moment overgeeft aan de pretentieloosheid van het ‘kiekje’. Hoewel het essay tot het beste behoort dat over Egglestons werk is geschreven, en Eggleston zelf nooit geheimzinnig heeft gedaan over zijn bewondering voor Cartier-Bresson slaat Weski hier de plank mis. Niet alleen fotografeerde Eggleston nog een tijd zowel in kleur als in zwart-wit, een selectie uit het vroege zwart-witwerk van de fotograaf, te zien in het Nederlands Foto­museum in Rotterdam, bewijst ook dat hij al eerder, jaren voor hij in kleur ging werken, van de door zijn Franse voorbeeld gebaande paden afdwaalde. Eggleston voelde zich al veel langer aangetrokken door het alledaagse en het onbeduidende.

Misschien was het ontstaan van zo’n verhaal onvermijdelijk, bij een kunstenaar van zijn formaat hoort enige mythevorming. En zo’n openbaring-gevolgd-door-metamorfose in de traditie van kerkvader Augustinus past prima in het plaatje. Eggleston werkt hieraan mee door regelmatig in halve raadsels over zijn eigen werk te praten en bijvoorbeeld op dramatische toon te verkondigen nooit meer dan één foto van een onderwerp te maken, om later niet te hoeven kiezen.

De tentoonstelling Before Color in het Fotomuseum bestaat uit 38 foto’s. Ze werden ‘toevallig ontdekt’ (nog zo’n mythologisering) in de archieven van de William Eggleston Trust, en al eerder uitgebracht in boekvorm. De beelden tonen stuk voor stuk alledaagse tafereeltjes. Hoewel af en toe duidelijk is dat de jonge Eggleston zich liet beïnvloeden door Cartier-Bresson was de omslag die jaren later zou volgen zeker niet zo radicaal als Weski doet voorkomen.

De foto’s die je zonder veel moeite als ‘beslissend moment’ zou kunnen opvatten – een receptioniste die de telefoon oppakt en betrapt in de lens kijkt, een vrouw met een chique jas met bontkraag die de fotograaf een verbaasde blik toewerpt terwijl ze een brief post – zijn ver in de minderheid en doen een beetje ongemakkelijk aan. Alsof de fotograaf zelf ook weet dat zijn eigenlijke doel niet het betrappen van mensen is. Eggleston was al vroeg vooral bezig met open vizier zijn directe omgeving te registreren, op een manier die hij later zijn ‘democratische methode’ zou noemen: alles is het evenveel waard te worden gefotografeerd. In de eerder genoemde documentaire zegt hij: ‘Vaak vragen mensen wat ik fotografeer, een vraag die moeilijk te beantwoorden is. Het beste dat ik kan verzinnen is: “Het leven vandaag de dag.” Ik weet niet of ze me geloven. Of wat dat eigenlijk betekent.’ Maar zijn bekendste uitspraak klinkt zowel dreigender als poëtischer: ‘I am at war with the obvious.’

Het resultaat van deze ‘democratische methode’ is dat je bij zijn werk altijd achterblijft met het paradoxale gevoel dat de fotograaf enerzijds expliciet niets wil zeggen, maar door zijn werkwijze dat impliciet wel doet. Want onder dat rustige, alledaagse oppervlak gaat niets minder schuil dan de immer ongrijpbare werkelijkheid. Al het voor de hand liggende dat Eggleston fotografeert is tenslotte precies dat wat andere, bijzondere ervaringen samenhangend maakt.

Zoveel onduidelijkheid over het waarom van individuele foto’s maakt dat je niet anders kunt dan op zoek gaan naar een betekenis. Het doet onwillekeurig denken aan Signs and Symbols, een kort verhaal van Vladimir Nabokov, waarin een jongeman zucht onder het gewicht van de hele wereld. Een psychische stoornis zorgt ervoor dat hij alles in het universum ervaart als betekenisvol. ‘Pebbles or stains or sun flecks form patterns representing in some awful way messages which he must intercept. Everything is a cipher and of everything he is the theme.’ Net zoals in het verhaal van Nabokov is het niet per se zo dat er meer aan de hand is, maar hoe meer banaliteiten je ziet, hoe sterker het gevoel wordt dat er toch iets achter moet zitten.

Het mooiste voorbeeld van een op het oog nietszeggende foto die er toch in slaagt van alles op te roepen, is een van de eerste beelden in Before Color. Vier mannen lopen gebroederlijk zij aan zij over een parkeerterrein vol Amerikaanse sleeën. Ze zijn netjes gekleed, maar onmiskenbaar uitgelaten. De gedachten gaan uit naar Quentin Tarantino’s Reservoir Dogs, maar dan een versie waarin de heist succesvol is verlopen. Een onschuldig plaatje, zo lijkt het. Maar onder het oppervlak borrelt het. Allereerst is de pers-versie die het museum verspreidt niet identiek aan het beeld dat op de tentoonstelling hangt. Het is een miniem maar onmiskenbaar verschil: op een van de foto’s heeft een van de mannen zijn arm hoger opgeheven, een van beide beelden is een fractie van een seconde later gemaakt. Vreemd wanneer je bedenkt dat Eggleston beweert nooit twee foto’s van hetzelfde tafereel te maken.

Maar er is meer aan de hand. Mijn eerste gedachte bij de tentoonstelling was: wat vreemd om een serie met beelden van het alledaagse leven in Memphis begin jaren zestig Before Color te noemen. Het is nota bene zowel het decennium van de burgerrechten­beweging, als de stad die door de moord op Martin Luther King Jr. het brandpunt van die strijd zou worden. Maar ook hier blijkt: voor de goede verstaander openbaart die achterliggende werkelijkheid zich vanzelf. Halverwege de tentoonstelling hangt een foto van een donkere vrouw voor een restaurant, twee meter verder een beeld van een kledingkast. Op de hoedenplank staat een doos met daarop een handgeschreven briefje dat de inhoud vermeldt: ‘White Hat.’ In latere kleurenseries zitten soortgelijke subtiele verwijzingen naar de puntige hoofddeksels van de Ku Klux Klan.

Terug naar het beeld van de vier mannen. Het brengt een andere foto in herinnering. Egglestons belangrijkste medepionier op het gebied van kleurenfotografie, Joel Sternfeld, fotografeerde begin jaren negentig de serie On This Site, van schijnbaar onbeduidende plaatsen waar ooit iets belangrijks is gebeurd. Een van de foto’s toont een klassieke Amerikaanse auto onder een balkon. Hij staat voor het Lorraine Hotel. Inderdaad, daar waar Martin Luther King Jr. in 1968 werd doodgeschoten. Het valt moeilijk te bewijzen, omdat Eggleston zijn foto’s nooit dateert of van een plaats­aanduiding voorziet (al is van dit beeld bekend dat het in Memphis is gemaakt), maar het heeft er alle schijn van dat Egglestons foto op hetzelfde parkeerterrein is genomen. De hoek is anders, maar de architectuur van het gebouw lijkt identiek. Misschien deed de architect in kwestie wel goede zaken, en staat Memphis vol gelijkvormige motels, in zekere zin doet dat er niet toe. Wat het voorbeeld toont, is waar de kracht van Egglestons werk in schuilt: hoe banaal de foto’s ook zijn, je wil dat ze je iets vertellen, en uiteindelijk doen ze dat ook.

De tentoonstelling telt zoals gezegd 38 foto’s, de laatste daarvan is een groot exemplaar in kleur, afkomstig uit een latere serie. Het is gissen naar de beweegredenen van de curatoren, maar het maakt dat het geheel iets weg heeft van een gecontroleerde explosie. Terwijl je door de zaal loopt, wordt er stilletjes afgeteld. Eerst intrigeren de beelden vooral, maar dan, met de introductie van die prachtige heldere tinten, wordt de banale werkelijkheid plotseling compleet onweerstaanbaar.


De tentoonstelling Before Color is t/m 26 augustus te zien in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam.