In Parijs

Lieve P.

Het regent in Parijs, maar toch vind ik het er fijn. Ik hou me schuil in musea, cafés en brasserieën – en uiteraard in mijn hotelkamer – en geniet van de status van rups in mijn zelf gesponnen cocon.

Je kent de treurige redenen waarom ik hier ben – en ik weet nu zeker dat ik niet had moeten gaan; vriendschap bestaat niet, zij is liefde zonder seksualiteit en ze vervuilt snel als je haar niet ververst. Maar goed, M. rust in een mooi graf, bedekt onder een laag mooie woorden en natte aarde waar alleen geen tranen op zijn geplengd. Toen ik aan het graf stond en mijn hoofd boog, rook ik gif dat uit alle uitgangen van de familie wasemde. Mijn ziel voedde zich met bitterheid. Je weet hoe ik M. tevergeefs geholpen heb en hoe ik mij verraden heb gevoeld, en ik dacht dat de dood wat zoetheid in mijn gemoed zou brengen, maar verraad los je niet zomaar op met wat woorden van suiker. Ook ik walmde van het gif.

Enfin. Men zal spuwen op mijn graf – wie zei dat ook weer?

Parijs is wederom in de ban van het communisme. In tijdschriften en op de televisie wordt mei ’68 herdacht en de Franse journalisten hebben geanalyseerd dat Marx bij de dames en heren studenten weer erg populair is. Nee, niet natuurlijk het communisme van Rusland, maar het Echte Communisme. Tja. Ik sprak een paar weken geleden de voormalige China-correspondent en mijn oude klasgenoot Oscar G. Hij hield in China wel eens lezingen over Holland, en vertelde dan hoe onze zorg, onze bijstand en ons onderwijs geregeld was, en wat wij verstonden onder vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. En elke keer hoorde hij: ‘Maar jullie hebben een beter communisme dan wij! Jullie hebben het communisme zoals het bedoeld is.’

Zo is het maar net.

Ik ben niet blind en zie hoe duizenden arme sloebers hier door Parijs dwalen. Het is verschrikkelijk. En je wilt niets liever dan al die duizenden helpen, maar je ziet ook dat hulp bieden iets onmogelijks is. Wat moet je doen? Geld geven? Hoeveel? Een huis geven? Waar? De studenten zien ‘het communisme’ nu als oplossing. Pak het geld van de rijken, en geef het aan de armen.

Maar dat is het probleem niet. Als de rijken tachtig procent van hun geld mochten geven om van al het gelazer af te zijn, zouden ze dat best wel willen doen. Maar ze zijn dan niet van het gelazer af. Niemand is dan van het gelazer af. ‘Het marktdenken werkt niet’, hoor ik. Oké, we stoppen ermee. Weg met het kapitalisme. En dan? Waar halen we het geld vandaan? Kijken die jonge communisten wel eens naar de macht van China? Wat denken ze dat er momenteel in China gebeurt?

Had ik trouwens al verteld dat ik zelf voor een deel Chinees ben?

De Jonge Pioniers doen hun best maar.

‘Weest bereid!’

In Parijs stikt het trouwens van de Chinezen. En iedereen houdt terecht van ze. Ze zien er mooi uit. Hebben dure kleren aan, geven geld uit als water en zijn bovenal vriendelijk. Ze maken geen lawaai en geen rotzooi. Twee asielzoekers geven bonje in het land, twee miljoen Chinezen binnen de poorten en je kunt tien universiteiten openen, tweehonderd warenhuizen, dertig ziekenhuizen en dan krijgt iedereen nog wat geld toe. Je hebt alleen zelf niks meer te zeggen.

Wist je dat twaalf procent van de Amsterdamse bevolking uit Chinezen bestaat? En je zult ze niet vertegenwoordigd zien in de politiek.

Had ik trouwens al verteld dat ik zelf voor een deel Chinees ben? En ook joods. Ik zit altijd goed. Nou, of juist niet.

Ik ga morgen weer terug naar Amsterdam.

Dan stap ik weer in de trein van Ergernis naar Cynisme.

Een leuk ritje, trouwens.