Als kind droomde Jane Goodall de dromen van een man. Niet dat ze in een verkeerd lichaam geboren was, maar de wens die zij najaagde – leven in de wildernis, samen met de dieren – was nu eenmaal niet weggelegd voor een meisje. Verstopt in de kruin van een beukenboom in de tuin van haar ouderlijk huis las Jane over Tarzan, the ape man. Het was het eerste boek dat ze zelf van haar gespaarde pennies had gekocht en ze werd verliefd op deze junglehunk in lendendoek. ‘Was Tarzan met de verkeerde Jane getrouwd?‘ vroeg Janine Abbring tijdens de eerste aflevering van het nieuwe Wintergasten-seizoen. Jazeker, zei Goodall, want zij was een stuk stoerder dan het stadse watje uit het boek.

Dat kun je wel zeggen. Toen Goodall in 1960 voor het eerst naar Tanzania ging om chimpansees te bestuderen, was ze de secretaresse van de vooraanstaande paleontoloog Louis Leakey. Een academische opleiding had ze zich niet kunnen veroorloven en misschien was dat maar goed ook, want als ze wel naar de universiteit was gegaan had ze geleerd dat dieren geen gedachten of emoties hebben. Dat alleen mensen intelligente wezens zijn met een binnenleven. De professoren hadden het onwetenschappelijk gevonden dat zij de apen namen gaf. Maar Goodalls onorthodoxe aanpak zorgde ervoor dat ze dichtbij genoeg kon komen om te observeren dat chimpansees stokjes gebruikten om termieten te vangen. Niet alleen homo sapiens maakte gebruik van werktuigen, deze apen deden dat ook. De ontdekking maakte Goodall tot een wereldster.

Voor degenen die Goodalls werk door de jaren heen een beetje hebben gevolgd, bevatte het anderhalf uur durende gesprek bij Wintergasten, hoe inspirerend ook, misschien wat weinig verrassingen. Het kwam allemaal in vogelvlucht voorbij: haar jaren tussen de chimpansees, haar zorgen over de teloorgang van de levende planeet, haar pleidooi voor hoop. De 88-jarige antropologe begon het interview met haar ogen gesloten, het had iets contemplatiefs, maar ze was, zo bleek later, ook gewoon moe. Er stond een glaasje whisky (of was het appelsap?) op tafel om haar stembanden te smeren.

De grootste verrassing was misschien wel dat Goodall fan is van Eddie Murphy. Ze had een fragment gekozen uit Trading Places, een kerstkomedie over een witte zakenman en een zwarte zwerver die voor even in elkaars schoenen komen te staan. Omdat het grappig was, maar ook omdat het een serieus onderwerp aan de kaak stelt: racisme, dat helaas nog geen zaak is van het verleden; ook Goodalls eigen ‘karamelkleurige’ kleinkinderen kunnen daarvan getuigen.

Het had de opmaat kunnen zijn naar een kritische reflectie op de racistische ondertoon die, zeker historisch gezien, weerklinkt in de retoriek van sommige natuurbeschermers. Kleeft er bijvoorbeeld geen akelig kantje aan het idee dat overbevolking (en met name de snel groeiende bevolking in arme Afrikaanse landen) ten grondslag ligt aan de ecologische ellende? De vraag werd niet gesteld. Wel vroeg Abbring of het niet ongemakkelijk was dat Goodall ook onderdeel uitmaakte van het koloniale systeem. Begin jaren zestig was Tanzania nog een Brits protectoraat waar rassendiscriminatie heel gewoon was. ‘Ik haatte het koloniale systeem’, zei Goodall. Dat dat duidelijk is.

Des te opvallender was het volgende idool dat Goodall wilde eren: Winston Churchill. ‘What a man!’ Ze bewonderde zijn daadkracht tijdens de Tweede Wereldoorlog, die Goodall (1934) bewust meemaakte en haar zuinigheid bijbracht (ze draagt nog steeds dezelfde schoenen als twintig jaar geleden). ‘Hij gaf mensen hoop en strijdlust.’ Alleen was diezelfde Churchill natuurlijk ook een gepassioneerd verdediger van het Britse Rijk, dat gebouwd was op kolonialisme.

© VPRO

Goodall is er het type niet naar om te schreeuwen, zelfs niet als ze ziet dat er van het regenwoud waar ze ruim zestig jaar geleden een onderzoeksinstituut opzette, nu weinig meer over is dan een paar plukjes bos omringd door kale heuveltoppen. Liever vertelt ze verhalen die mensen in het hart raken. Nog altijd weigert ze zich te voegen naar het wetenschappelijke keurslijf; weinig biologen zouden met waarzeggers praten over het leven na de dood, dat Goodall beschouwt als ‘haar volgende grote avontuur’. Reïncarneren als chimpansee ziet ze niet zitten. Wel hoopt ze in het hiernamaals op een weerzien met David Greybeard, de eerste chimpansee van wie ze als jonge vrouw, levend in de jungle, het vertrouwen wist te winnen.