In sexualibus

Als je ervan uitgaat dat seks voor jongeren één van de belangrijkste preoccupaties vormt, dan komen ze er als lezer op dat gebied nog altijd bekaaid af. De seksuele revolutie heeft er weinig aan kunnen veranderen: ook in de huidige jeugdroman is een beetje gedetailleerde vrijscène met een lantarentje te zoeken. En jeugdige lezers doen dat, want de literatuur is een veilige plek om je in sexualibus een beetje voor te bereiden. Twee auteurs hebben duidelijk hun best gedaan hun publiek hier ter wille te zijn.

In De geur van melisse schetst de Zweed Per Nilsson een heftige verliefdheid, uitmondend in een vrijpartij. Voor de jongen betekent dat Eeuwige Liefde, het meisje heeft nog andere bedgenoten. Alleen op zijn kamer draait de jongen de film van zijn herinneringen terug aan de hand van een verzameling voorwerpen - een Duitse grammatica, een bioscoopkaartje, een kruidenplantje, een pakje condooms - om ze vervolgens tot op de laatste molecuul te vernietigen. Deze ‘bewijsstukken’ structureren het verhaal, dat met vaart en humor verteld wordt. De auteur mixt roze romantiek, de ernst van de eerste liefdesdaad en de mogelijkheid tot relativering van zwaarwegende gevoelens. En steeds weet Nilsson er door zijn toon lucht in te houden.
Luchtig is geen woord dat past bij de Vlaamse Marita de Sterck. In haar roman Splinters walst met de liefde ook de zwaarte van het hele menselijk bestaan over de lezer heen. Waar Nilsson contouren schetst, graaft De Sterck, fileert problemen, draagt oorzaken en mogelijke oplossingen aan. De opwindende verhouding die tijdens het kamp van de Natuurbond tussen Jutta en Anton ontstond, loopt na enige maanden stuk op het onvermogen van het meisje tot overgave. De oorzaak ligt in het niet verwerkte vertrek van haar vader. Leven geeft splinters en sommige blijven pijn doen. Een wijze grootmoeder weet de vastgelopen machinerie weer voorzichtig op gang te krijgen.
Het verhaal zit geheid in elkaar. Het is psychologisch onderbouwd, alles heeft functie en betekenis. Door het perspectief per hoofdstuk wisselend bij een van beide hoofdpersonen te leggen ontstaat een genuanceerd beeld van de situatie. Ongewoon is dat al in hoofdstuk één de kaart van de heftige passie op tafel ligt. Onmiddellijk is er sprake van aan elkaar te ritsen slaapzakken. Zo grijpt de schrijfster haar lezer zonder omhaal bij de kladden, om hem of haar des te beter te laten voelen wat haar overtuiging is: 'Over de liefde leer je nog het meest als je er eens goed tegenaan gebotst bent.’
Helaas meent De Sterck dat grote gevoelens vragen om grote woorden. Enerzijds verdrinkt haar verhaal in trivialiteit: 'Al het leed van de wereld in één hartje bij mekaar’ of 'fluweelzachte vingertjes’. Anderzijds is er sprake van pathetische mooischrijverij: 'Ik wist dat ik het niet zou kunnen verdragen onze tijdslijn in prikkeldraad te zien uitlopen’ en: 'Ze was zwanger van een grote leegte die niet te vullen viel’. Mij doet het pijn aan de ogen, maar mogelijk past het een leeftijdsgroep die enige geëxalteerdheid niet vreemd is.