Beeldende kunst - Jennifer Tee wil energie opwekken

In staat van limbo

Spiritualiteit in de kunst moet tegenwicht bieden aan de gecomputeriseerde wereld om ons heen. Jennifer Tee treedt met inspiratie uit de Braziliaanse Tropicália-beweging en het Japanse ‘precisiewandelen’ in de voetsporen van de Cobra-beweging.

Medium cobra jennifer 20tee nov 202015 pt mg 6208

‘Tupi or not Tupi, that is the question.’ Deze satirische Shakespeare-parafrase is de beroemdste zin uit het in 1928 gepubliceerde Manifesto Antropófago van de Braziliaanse dichter en polemist Oswaldo de Andrade. Het manifest had een grote invloed op de eerste modernistische beweging in Brazilië. Via de metafoor van de Tupi-indianen, die zich volgens de overlevering op gastronomische wijze van een hun onwelgevallige bisschop ontdeden, noemde De Andrade cultureel kannibalisme Brazilië’s grootste kracht, en dé manier om zich te ontdoen van de postkoloniale Europese culturele dominantie. De Andrade’s ‘antropofagia’ is een aanmoediging voor het omarmen en vermengen van ‘vreemde’ invloeden, omdat daaruit, juist daaruit, iets unieks gecreëerd kan worden.

In de verte resoneert dit manifest nu door in het Cobra Museum in Amstelveen, waar onder de swingende titel The Soul in Limbo (ontleend aan André Bretons roman Nadja uit 1928) een verkwikkend overzicht te zien is van Jennifer Tee, die eerder dit jaar de Cobra Kunstprijs Amstelveen kreeg uitgereikt. Met de prijs (bestaande uit tienduizend euro, een solotentoonstelling en een publicatie) willen het museum en de gemeente Amstelveen aandacht vragen voor de waarden van de Cobra-beweging, omschreven als ‘experimenteel, geëngageerd en interdisciplinair’. Tee’s werk is dit allemaal. Blikvanger in de tentoonstelling is een groot plateau in het midden van de ruimte waarop talloze handgeweven kleden liggen uitgespreid, met abstracte, etnisch aandoende patronen in zomerse kleuren. Hier tussenin staan twee kloeke keramische vazen, gemaakt in een oeroude ‘coiling-techniek’. In eentje is een bos bloemen gezet. Her en der liggen mysterieuze halve bollen verleidelijk te glimmen en aan een stokje ergens in het midden zijn circa twintig porseleinen mossels geregen.

Jennifer Tee (1973), geboren uit een Chinese vader en Nederlands-Engelse moeder, is van meet af aan een opvallende verschijning aan het Nederlandse kunstfirmament. In 1999 kreeg ze, nauwelijks afgestudeerd aan het Sandberg Instituut, meteen een solotentoonstelling in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, Down the Chimney. Zonder een spoortje schroom trok ze de bezoeker hier haar excentrieke Wonderland in, een totaalinstallatie bestaande uit onder meer een zee van tropische kamerplanten, een setting met logge, pinguïnvormige objecten, een figuur in een bontjas en een gigantische schildpad die in een bed lag te slapen, omringd door videoprojecties waarin Tee, haar zus en ouders elkaar te lijf gingen met stokken.

Twee jaar later sloot Tee een verblijf aan de Rijksakademie af met een memorabele presentatie waarbij Mongoolse keelzangers liederen zongen onder een grote, ronde tent gedecoreerd met patronen ontleend aan Aziatische mythologieën. De kunstenaar zelf zat hoog in de ruimte op een schommelzitje en takelde de tent met een touw langzaam omhoog en weer omlaag, een rituele handeling waarmee ze de zangers zichtbaar en weer onzichtbaar maakte, zoals, zo was het idee, ook de associaties die de liederen opriepen kwamen en gingen. ‘Ik wil iets geven aan het publiek’, zei Tee in die tijd in Het Parool, ‘al was het maar energie; het hoeft niet per se betekenis te zijn. Daarom installeer ik ook zo veel werk in een ruimte: om zo veel mogelijk energie op te wekken.’

Tee voelt zich verwant aan de Braziliaanse geëngageerde kunstenaars Hélio Oiticica en Öyvind Fahlström, vertegenwoordigers van de Tropicália-beweging in de late jaren zestig en zeventig, die het begrip ‘antropofagia’ opnieuw centraal stelde. In hun installaties koppelden zij de esthetiek van het abstract modernisme (Oiticica) en surrealisme (Fahlström) aan een grote aandacht voor mystiek en rituelen. Ook de interactie met het publiek speelde, net als bij Tee, een belangrijke rol. In haar eerste museale solotentoonstelling in Museum Het Domein in Sittard in 2001, getiteld In Air I Presume: The Non-logical Hunt for Toverknal, bracht Tee hun werk samen met dat van haarzelf. Ze verbleef hiervoor een tijd in Brazilië, waar ze zich door sjamanen liet inwijden in de voodoorituelen van het uit Afrika overgewaaide volksgeloof Candomblé, met als voornaamste kenmerk het geloof in een andere, parallelle wereld van geesten, waarmee contact wordt gemaakt middels zang, dans, muziek en offerandes.

In navolging van Claude Lévi-Strauss, wiens Het trieste der tropen (1955) een van haar belangrijkste inspiratiebronnen is, reist Tee veel, maar is het haar niet te doen om het reizen an sich. Het ontstaansproces van een werk heeft bij haar steevast het karakter van een semi-wetenschappelijk onderzoek en daarbij put ze rijkelijk uit de westerse, en vooral ook niet-westerse cultuurgeschiedenis, zonder hiërarchisch onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld de vroege abstracte kunst van Hilma af Klint, taoïsme en shuudan kousou oftewel Japans precisiewandelen (zoals in het project Occult Geometry uit 2014). Tee gelooft niet in gefixeerde betekenissen, maar in een poreuze opvatting van kunst, waarbij alles constant fluctueert en in een staat van limbo verkeert, oftewel: ‘Een transitiezone waar mensen, objecten en de omgeving op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat de toeschouwer een moment van intensivering van leven en bewustzijn kan beleven.’ Al haar werken staan op zichzelf, maar het zijn ook voorwerpen die nog ergens toe zullen dienen.

Zo functioneren de vloerkleden die Tee sinds 2009 samen met de New Yorkse textielkunstenaar Sahara Briscoe maakt en waarvan de abstracte patronen geïnspireerd zijn op het werk van Agnes Martin, de shaped canvases van Frank Stella en vroege, zeshoekige airbrush-schilderijen van Judy Chicago, regelmatig als ondergrond voor performances (ook in het Cobra Museum zullen enkele performances worden opgevoerd). De traditionele Chinese vazen, afkomstig uit een serie van twaalf getiteld Star-Crossed, (2010), zijn behalve vaas of urn in Tee’s universum ook ‘containers van zielen’ en kunnen, zoals al haar werken, ‘geactiveerd’ worden, bijvoorbeeld door dansers die er rondom bewegen of er geluid uit halen.

De stap van speculatief realisme naar voodoo en ‘bezielde’ kunstwerken die ‘geactiveerd’ kunnen worden, is maar klein

Tee liep hiermee ver vooruit op de huidige hausse van kunstenaars die ook magie in hun werk proberen te blazen. Melanie Bonajo bijvoorbeeld, die de vermeende Verelendung van de moderne mens, radeloos verloren in een gecomputeriseerde wereld, tegenwicht probeert te bieden door sjamanisme, medicinale drugs en seks. In de eerste twee delen van haar _Night Soil-_videotrilogie gaat ze op zoek naar respectievelijk de helende effecten van de hallucinerende plantaardige drug ayahuasca en het vrouwelijk orgasme. Die laatste video ging vorig jaar bij galerie Akinci in première, waar hij vanaf kussens op de grond te bekijken was in een yurt-achtige tent. Op de opening voerden met grashalmen getooide jongelingen op Romeinse wijze druiven aan de bezoekers.

Ook tijdens de Open Studio’s van de Rijksakademie, eind november, viel op dat veel kunstenaars de bezoeker in hogere sferen willen brengen. Op de zolder voerde de Amerikaanse Riley Harmon bijvoorbeeld een seance-achtige performance uit, met drums, zang en klankschalen, te midden van enkele bosjes bloemen en met op de achtergrond iets wat leek op een glas-in-loodraam in antroposofische kleuren.

Spiritueel hoogtepunt was onlangs echter de tentoonstelling Primitive Data van de Duitse kunstenaar Markus Selg in Museum De Hallen in Haarlem. Hier kon je ronddwalen in een aan de levenscyclus refererende ‘totaalinstallatie’ waarin, dwars door alle tijdgeledingen heen, elementen waren samenbracht uit Noorse mythologieën, voodoorituelen, het boeddhisme én de vluchtelingencrisis. Het thema water keerde op verschillende manieren terug als ‘stroom van ons onderbewuste’, concreet als de route die vluchtelingen met hun gammele bootjes nemen of als de rivier de Styx, waarover Selg een kano liet varen met als passagier één groot oog, het derde oog, oftewel het voorhoofdchakra. Een meer dan twee meter hoge sculptuur met ingebouwd flatscreen had als titel The Doors of Perception. Net als Tee noemt Selg zijn kunstwerken ‘bezield’, containers van gedachten en ideeën.

Hoe outlandish dit allemaal ook klinkt, het sluit helemaal aan bij een fascinatie voor ‘dingen’, waar de kunstwereld sinds een aantal jaren door is gegrepen. Debet hieraan is het zogenoemde ‘speculatief realisme’, de recente filosofische stroming die de wijsbegeerte probeert te bevrijden uit Kants antropocentrisme, en voor het eerst de vraag stelt: wat is dat eigenlijk, een ding? Met name de suggestie in het werk van de object-georiënteerde filosoof Graham Harman dat er in de wereld van de dingen een onontgonnen rijkdom te ontdekken valt, blijkt voor veel kunstenaars, ook voor Tee, een enorme bron van inspiratie (Harman leverde recent bijdragen aan verschillende grote kunstevenementen).

De stap van speculatief realisme naar voodoo en ‘bezielde’ kunstwerken die ‘geactiveerd’ kunnen worden, is maar klein. Maar anders dan kunstenaars als Bonajo en Selg lijkt Tee er niet in geïnteresseerd om ons hiermee alternatieven voor te schotelen voor ons huidige bestaan als smartphone-junkies. Je herkent het aan de bijzondere aandacht voor ‘echte’ materialen en traditionele technieken, die van The Soul in Limbo behalve een ‘energie opwekkende’ beslist ook een zinnenprikkelende ervaring maken. Tee kijkt naar de wereld met de blik van een cultureel antropoloog, constant de complexiteit onderzoekend van ons bestaan waarin verschillende culturen voortdurend in elkaar overlopen. En net als bij Lévi-Strauss gaat dit gepaard met een zekere weemoed, het besef dat de verwantschap met de cultuur van oorsprong ook verloren kan gaan, dat identiteit en taal fluïde begrippen zijn, smijdig en kwetsbaar.

Tegen die achtergrond is The Soul in Limbo, met haar aangenaam tropische uitstraling, net als Tee’s werk in het algemeen, te beschouwen als een pleidooi voor een mooiere, meer bezielde wereld. Als een aanmoediging ook wel, om op ‘antropofagische’ wijze iets nieuws en unieks te laten ontstaan. Maar Tee’s veelomvattende werk is behalve magisch ook heel concreet en praktisch, en ze doet het voorkomen alsof dit allemaal de normaalste zaak van de wereld is, alsof dit is zoals het zou moeten zijn.


Jennifer Tee, The Soul in Limbo, t/m 21 februari, Cobra Museum, Amstelveen; cobra-museum.nl. Performances op 17, 24 en 31 januari, 7 en 14 februari

Beeld: The Soul in Limbo van Jennifer Tee in het Cobra Museum, Amstelveen. Foto: Peter Tijhuis / Cobra Museum voor Moderne Kunst