Kijken

In starck licht

Het uitrukken van een tong en het uitsteken van een oog. Rubens en Rembrandt lieten het bijbelse bloed vrijelijk spatten.

Rubens, De marteling van de heilige Livinus, 1633, olie op doek, 445 x 347 cm © Koninklijke Musea voor Schone Kunsten België
Met hard, meedogenloos realisme, zo zag Rembrandt de scène

Rubens’ schilderij met de marteling van Sint-Lieven was groots en ruim van opzet. Zo is het karakter van al zulke werken. Het schilderij is zo groot omdat het bedoeld was voor het hoofdaltaar van een grote kerk in Gent. De theatrale voorstelling was rumoerig. Het zijn verschillende groeperingen van verstrengelde personages die in de ruimte bewegen en die dan groter en rustelozer maken. Die verstrengelingen beginnen bovenin. In de hoge winderige hemel verschijnen twee strafengelen die bliksems naar beneden sturen. Ze worden door dreigende donderwolken gedragen. We merken dat Rubens natuurlijk ook onweer en regen gezien heeft. Er zit veel realistische waarneming in die verbeelding van een loskomend onweer. Kunstenaars kijken zo. Volgens de historische overlevering vond de marteling van Sint-Lieven plaats in het verre jaar 657. Toen heeft ergens in Vlaanderen een woest stel heidenen hem de tong uitgerukt. Later is zijn kop nog afgehakt. Of dat alles zo toeging is de vraag. Maar de jezuïeten in Gent wilden de marteling van de heilige in vol ornaat en met decorum op het altaar van hun kerk uitgebeeld hebben. Het was lang geleden. Ook Rubens wist niet hoe zo’n marteling eruitzag. Hij moest dus, op zijn gulzige manier, kijken en dan, met wat hij gezien had, een verhaal verzinnen.

Het gebeurde in Vlaanderen. De schilder wilde helemaal links een boom om daar de opgewonden beweging van al die gestalten te stutten. Bij de voet daarvan kwam zo ook wat stille rust waar Sint-Lieven door zijn drie beulen werd toegetakeld. De boom markeerde de plek des onheils. Hij reikte tot in de hemel: een Vlaamse eikenboom natuurlijk. Die boom was niet verzonnen. Bovenin zie we, in de wind, bladertakken bewegen – daar waar ook twee putti, mollig als vruchten, een lauwerkrans en palmtakken naar beneden dragen. Als je een verhaal verzint, dat wist Rubens als geen ander, moet dat zo waarheidsgetrouw mogelijk gebeuren. Waar je ook kijkt in het schilderij, zien we daarom details die de gelovige kijker bekend voorkwamen uit het gewone leven in Vlaanderen. Kledij, wapentuig, koppen, landschap, beesten, gebruiken, het lichtgrijze weer in de lucht. Ook een figuratieve verbeelding van lang geleden werkt alleen als die uitgevoerd wordt in een realistisch idioom waar de kunstenaar diep in thuis is. En voor het tong uitrukken? Dan ga je naar een slager. Woeste gestalten vind je in de Antwerpse haven. Zo maakte Rubens een spektakel – een ruime verbeelding en een wijd door de ruimte verstrooide belichting. Dat losse, Vlaamse licht is ook kenmerkend in dit schilderij. In dit licht is alles in beweging, veel tegelijkertijd en op wat afstand.

Rembrandt, De blindmaking van Simson, 1636, olie op doek 206 x 276 cm © Städel Museum, U. Edelmann

In de kunstgeschiedenis van onze Lage Landen ontkomen we er niet aan Rubens met Rembrandt te vergelijken. Het uitrukken van de tong van Sint-Lieven, de essentie van zijn marteling, laat zich goed vergelijken met Rembrandts Blindmaking van Simson dat in 1636 werd geschilderd, drie jaar na Rubens’ werk. Rembrandt was dertig, op volle kracht. Zijn waarneming was uitzonderlijk scherp. Zoals de drie belagers Sint-Lieven vastgrepen, kon het niet anders of de heilige moest van verrassing en schrik zijn armen wel uitspreiden. De hoofdpersoon in geplooide kazuifel toonde zich als de sterzanger in een opera. Daardoor raakte bij Rubens de fysieke kwelling wat verborgen. Simson waren door Delilah de haren afgeknipt. Zij rent weg met als trofee een handvol haar. Hij had in haar schoot liggen slapen. Hij lag dus al toen Filistijnse soldaten hem, van achter, achterover trokken en hem klemvast om de nek hadden. Ze boeiden hem met kettingen. Een in rood uitgedoste soldaat, groot in profiel, houdt zijn speer voor de zekerheid op Simsons borst gericht. Zo ligt hij met weerloos hoofd op de voorgrond terwijl een van de soldaten hem met een dolk het rechteroog uitsteekt. Daar spat bloed. Simsons mond is vertrokken van pijn. Zo zag Rembrandt de scène – met hard, meedogenloos realisme. Het schilderij is iets meer dan twee meter breed, veel kleiner dan Rubens’ hoge spektakelstuk. Rembrandts schilderij is een verhaal in de breedte. De weinige figuren werken groot. Hun contouren zijn scherp getekend, hier en daar in tegenlicht. Het zijn staccato gestalten.

Rembrandts opvatting van schilder-kunst was wat anders geworden. In 1639 schonk hij het werk aan Constantijn Huygens. Hij deed dat omdat hij zelf doorhad hoe rigoureus zijn kunst veranderde – met Huygens had hij een verstandhouding. De blindmaking had hij in een donkere tent gelocaliseerd. Het kantige licht en tegenlicht was hard en dramatisch. In de brief aan Huygens schreef hij: ‘Hangt dit stuck op een starck licht en dat men daer wijt ken afstaen soo salt best vouchen.’ Waar het om ging was een realistische concentratie die nog niet eerder vertoond was.

PS Rubens, vond ook Huygens, was een grote meester in deze Lage Landen. België bestond toen nog niet. Antwerpen was een grote stad. Meer aanwezigheid van Rubens’ kunst zou het historisch evenwicht in het Rijksmuseum verbeteren