De Groene Live #25: Zijn corona-complotten waanzin? Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

De stad als sociaal laboratorium (slot)

In strijd met Den Haag

Ver weg van het Haagse gedruis zijn er ontwikkelingen die duidelijk maken dat de tijd rijp is om de Nederlandse verzorgingsstaat te ‘lokaliseren’. De vernieuwing van de institutionele orde in Nederland komt van onderop.

Medium 20140224 den haag

Aan het eind van de jaren negentig kreeg hoogleraar lokaal bestuur Wim Derksen het verzoek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (vng) te onderzoeken wat er in de bestuurlijke praktijk terechtkwam van de decentralisaties. Al sinds medio jaren tachtig waren de gemeenten in permanente onderhandeling met de rijksoverheid over de overname van steeds meer taken van de centrale overheid. Het idee daarachter was eenvoudig: gemeenten zitten dichter op de huid van burgers en kunnen veel taken daarom beter organiseren. In ruil voor de overdracht bezuinigde het rijk doorgaans stevig op de budgetten, maar dat had men er in gemeenteland graag voor over. De vng-doctrine was simpel: hoe meer geld naar gemeenten, hoe beter.

Toch sluimerde er op de vng-burelen aan de Nassaulaan in Den Haag ook onvrede. Enkele medewerkers en kritische wethouders spraken zachtjes van ‘recentralisatie’: via allerhande verantwoordingsmechanismen en voorwaarden verstevigde het rijk zijn greep op het beleid juist. En zo kwam Wim Derksen in beeld, op dat moment lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) en bijzonder hoogleraar op de door de vng in het leven geroepen Thorbecke-leerstoel voor lokaal bestuur aan de Universiteit Leiden. Kortom: de aangewezen man om eens na te gaan wat de decentralisaties gemeenten nu echt opleverden.

Ruim tien jaar daarvoor was Derksen de intellectuele vader van de zogeheten ‘centralisatieparadox’. Sinds de Tweede Wereldoorlog, zo constateerde hij medio jaren tachtig, had de rijksoverheid de aanpak van grote maatschappelijke opgaven op het terrein van wonen, sociale zekerheid, volksgezondheid en welzijn naar zich toe getrokken, maar naarmate die centrale macht toenam, werden gemeenten steeds handiger in het juist niet doen wat het rijk van hen verwachtte. Ze bleven in heel veel gevallen bewust nalatig of deden het net iets anders. Gemeenten wisten departementen fijntjes tegen elkaar uit te spelen. Zo moderniseerden ze winkelstraten met geld van het ministerie van Economische Zaken, terwijl diezelfde straten volgens het ministerie van crm historisch zo karakteristiek waren dat het aanzicht behouden moest blijven. De ambtenaren in Den Haag bleken steeds minder in staat die eigengereidheid te corrigeren. Dat, zo stelde Derksen, was de centralisatieparadox: hoe meer het rijk centraliseert, des te afhankelijker wordt het van gemeenten.

Maar eind jaren negentig waaide de wind uit een heel andere hoek: het rijk was immers gaan de_centraliseren. Eigenlijk, zo constateerde Derksen in zijn analyse voor de vng, had Den Haag zijn lesje heel goed geleerd: als het werkelijk iets wilde bereiken, kon het niet om de informatie en uitvoering van gemeenten heen. Decentralisatie bood juist kansen voor het rijk, mits deze gericht zou zijn op het _beheersen van het lokale beleid. En precies dat was wat er gebeurde. Met elke decentralisatie werd het gemeentefonds verder opgetuigd met regels en verantwoordingsmechanismen die gemeenten ertoe moesten dwingen het geld conform de wensen van het rijk uit te geven.

Dus, zo hield Derksen de vng voor, jullie tuinen erin: die zogenaamde decentralisatie is in feite een machtsverschuiving naar het rijk. Als het rijk echt jullie beleidsvrijheid zou willen vergroten, dan zou het bijvoorbeeld de mogelijkheden vergroten om lokaal belasting te heffen. In een later werk vatte hij deze tegenstrijdigheid samen in een omkering van zijn eerdere centralisatieparadox. Naarmate het rijk meer decentraliseert, neemt de macht van het rijk toe – ziedaar de decentralisatieparadox.

Die conclusie viel eind jaren negentig bij de vng niet in goede aarde. Het paste niet in de onderhandelingsstrategie van de vng-hoofddirectie, waarvan de leden vooral gerecruteerd werden uit vooraanstaande vertegenwoordigers van de drie grote partijen, vrijwel altijd politici of hoge ambtenaren die eerder in Den Haag dan in gemeenten hun sporen hadden verdiend.

Het rapport van Derksen verdween in de onderste bureaula. Intussen zijn we zijn een paar jaar verder en het wordt tijd om die bureaula weer eens open te trekken en het rapport af te stoffen. Want waar de hoogleraar lokaal bestuur destijds op wees, is nu actueler dan ooit. Elke werkdag trekken er hele gezelschappen naar Haagse departementen om er te spreken over de vraag onder welke condities, op welke wettelijke grondslagen, met welke overgangsbepalingen en zekerheden voor oude gevallen en bestaand personeel de rijksbudgetten naar gemeenten gaan. Vertegenwoordigers van de vng, ipo, landelijke koepelorganisaties voor jeugd- en awbz-zorg, beroepsverenigingen van psychiaters, zorgverzekeraars en vele anderen lopen in Den Haag af en aan om het precieze pakket vast te stellen.

Aan het Binnenhof aarzelen Kamerleden niet om onder druk van deze of gene lobby bewindslieden te dwingen om iets terug te nemen of anders te doen. Zo tuimelde vorig najaar de ‘persoonlijke verzorging’ ineens uit het gemeentelijke decentralisatiepakket om in handen te vallen van de zorgverzekeraars. En zo dwong de Kamer staatssecretaris Klijnsma om de verplichte tegenprestatie bij een bijstandsuitkering toch vooral over te laten aan het oordeel van gemeenten. En voor de uitvoering van de jeugdzorg toverde staatssecretaris Van Rijn op het laatste moment op aandringen van de Eerste Kamer een nieuw soort nationale toezichthouder uit zijn hoge hoed: de Transitie Autoriteit Jeugd. Decentraliseren is in Nederland een potje touwtrekken door veel partijen aan een bestuurlijke knoop die voor een gewoon mens niet meer te ontwarren is.

***

Wat bij dat touwtrekken totaal ontbreekt, is een consequente politieke visie op wat een decentraal georganiseerde overheid zou moeten zijn en wat daarvoor nodig is. Bij gebrek daaraan dreigt de hele operatie inderdaad te verworden tot een ongekend grote bezuinigingsoperatie op kosten van de gemeenten. Alleen daarom al valt het te betreuren dat Derksens onderzoek zo’n vijftien jaar in de bureauladen van de vng ligt te verstoffen. Daarin staat namelijk ook het antwoord op de vraag aan welke voorwaarden een echte decentralisatie zou moeten voldoen. Die zou niet zozeer een overheveling moeten zijn van publieke taken van de ene naar de andere overheidslaag, maar vooral het realiseren van echte gemeentelijke beleidsvrijheid en het versterken van de lokale democratie. Meer verantwoordelijkheid, grotere vrijheid en sterkere democratie zouden de drie pijlers moeten zijn van een vitale, decentraal georganiseerde overheid. Wie met die ogen naar het rijksvergadercircuit kijkt, kan weinig anders concluderen dat men daar in Den Haag nog lang niet aan toe is. Wat er deze dagen wordt gedecentraliseerd, zijn taken zonder vrijheid en verantwoordelijkheid zonder democratie.

Dat is een gemiste kans, want ver weg van het Haagse gedruis zijn allerhande ontwikkelingen zichtbaar die duidelijk maken dat de tijd rijp is om de Nederlandse verzorgingsstaat te ‘lokaliseren’. scp-directeur Kim Putters spreekt in dit verband van ‘een ontwikkeling van de verzorgingsstaat naar een verzameling verzorgingssteden’. In tal van opzichten is die ontwikkeling al gaande. Lokaal zien we steeds meer pogingen om te ontsnappen aan de bureaucratie, om lokaal maatwerk te leveren, om de verkokering en versplintering te doorbreken, om publieke voorzieningen zoals zwembaden, buurthuizen en leeszalen in zelfbeheer te nemen, om de lokale economie nieuwe impulsen te geven, soms zelfs door de introductie van lokale munten en ruilsystemen. De vernieuwing van de institutionele orde in Nederland komt van onderop. We hoeven innovatie geen couleur locale meer te geven: die heeft ze van huis uit.

Deze bottom-up-beweging vormt het kompas waar gemeenten de komende jaren op moeten vertrouwen. Dat wijst de gemeente in welke richting ze zich kan ontworstelen aan de Haagse voogdij. Gemeenten hebben wat dat betreft weinig keuze. De oude verzorgingsstaat pakte problemen aan met méér-oplossingen, gefinancierd uit koloniën, aardgas of economische groei. Die weg lijkt voorlopig afgesloten. Gemeenten rest geen andere route dan op zoek te gaan naar ánders-oplossingen. De klassieke, formele solidariteit van overheidswege blijft onmisbaar, maar juist op het lokale niveau is steeds duidelijker geworden dat die solidariteit geen klusje is voor ambtenaren achter een loket, maar gedragen moet worden door de tastbare bekommernis en betrokkenheid van burgers.

Lokale overheden worden voor het rijkskarretje gespannen als willige lastdieren

Op veel terreinen – leefbaarheid, woonomgeving, het gebruik en beheer van de openbare ruimte en publieke voorzieningen – moet de lokale overheid haar verantwoordelijkheid gaan delen met (netwerken van) burgers en lokale organisaties. Op die terreinen functioneert de lokale overheid niet zozeer als cockpit of beleidscentrum maar veeleer als ‘server’: de plek waar kennis wordt verzameld, gedeeld en teruggegeven. Daarvoor moet de overheid het traditioneel bij haar rustende beleidsmonopolie loslaten: niet alles voor iedereen willen bedenken en bedisselen, maar ruimte laten voor de wisdom of the crowd.

In die zoektocht komen gemeenten onvermijdelijk Den Haag tegen. Decentralisaties gaan gepaard met zoveel Haagse mitsen en maren dat ze dreigen te verkeren in (re)centralisaties. Lokale overheden worden voor het rijkskarretje gespannen als willige lastdieren. Zo mogen ze geen ‘inkomenspolitiek bedrijven’ en hebben ze maar een zeer geringe ruimte om lokaal belasting te heffen. De kans dat Den Haag daar de komende jaren verandering in brengt, is miniem. Het initiatief ligt wat dat betreft bij gemeenten zelf: ze zullen moeten veroveren wat ze van Den Haag niet krijgen. Tegenover de lange arm van Den Haag moeten gemeenten een eigen koers zien te varen. Ze zullen moeten leren op zichzelf te vertrouwen.

***

Want ondanks de Haagse beheersingsdrift en controlezucht verplaatst de macht zich wel richting gemeenten. Den Haag wordt steeds meer een abstractie, het stadhuis steeds nadrukkelijker een hub voor sociale en politieke innovatie. Belangrijk is om daarbij vast te stellen dat ruimte geven aan de lokale samenleving niet slechts een kwestie is van ideologie, maar uiteindelijk ook een kwestie van geld, van economische wetten en regionaal geordende systemen. Om het maar eens met Bill Clinton te zeggen: It’s the economy, stupid!

De klassieke verzorgingsstaat en de vlucht naar de markt hebben ertoe geleid dat veel lokaal geld wordt ‘opgepompt’ om vervolgens via ingewikkelde, bureaucratische omwegen deels weer lokaal terecht te komen. Dat gemeenten straks verantwoordelijk worden voor de aanpak van maatschappelijke ondersteuning, jeugdzorg en werkloosheid noopt hen anders met de lokale economie om te gaan. Lokalisering is de nieuwe trend. Niet voor niets pleitte de wrr in zijn advies Naar een lerende economie onlangs voor regionale samenwerkingsverbanden om onderwijs, werkgelegenheid en innovatief vermogen met elkaar te verbinden. Daar ligt kracht en vitaliteit.

De lokale overheid kan daar op allerlei manieren aan bijdragen: door lokale werkgelegenheid te stimuleren, door partijen bijeen te brengen, maar ook door vormen van dienstbaar kapitaal (slow capital), ruimte en voorzieningen beschikbaar te stellen aan burgerinitiatieven. Lokale fondsvorming, met bijdragen van verscheidene partijen, kan een stimulerende werking hebben op burgerinitiatieven, al is het maar omdat zo wordt voorkomen dat burgers alleen met geld en goedkeuring van de lokale overheid stappen kunnen zetten. In het Verenigd Koninkrijk is zo’n fonds tot stand gebracht met geld van ‘slapende rekeningen’ bij banken: geld van dode stichtingen en overleden rekeninghouders waar jarenlang niemand aanspraak op heeft gemaakt.

Ook in Nederland zijn zulke gedachten in ontwikkeling. Zo stelt de pvda in Lelystad in haar verkiezingsprogramma voor om naar New Yorks voorbeeld buurtfondsen in het leven te roepen, die deels worden gevuld met gemeentegeld (uit de potten voor dagelijks en groot onderhoud) maar deels ook door middel van sponsoring of fondsenwerving. Bewoners kunnen zelf voorstellen doen voor besteding van het geld en erover besluiten. Ook de zogeheten social impact bonds zijn een mooi voorbeeld van wat kan. Daarmee investeren private partijen in de aanpak van een lokaal of regionaal maatschappelijk probleem dat de overheid veel geld kost. De overheid betaalt hen terug met het geld dat zij hierdoor bespaart, plus een eventueel rendement. Hoe sneller die private partijen er bijvoorbeeld in slagen om jongeren aan werk te helpen, hoe hoger het rendement. In Nederland staat het fenomeen nog in de kinderschoenen: het eerste project om op deze manier de jeugdwerkloosheid aan te pakken, startte eind 2013 in Rotterdam.

De gemeente kan proberen met privaat geld publieke problemen aanpakken, ze kan ook private partijen met collectief geld in staat stellen om publieke verantwoordelijkheid te nemen. Burgerkracht benutten moet immers verder gaan dan een moreel appèl op burgers om lief of zelfs affectief voor elkaar te zijn zodat de overheid dat niet hoeft te doen: daar kan de overheid ook op een slimme manier instrumenten voor inzetten. Te denken valt aan wijkbudgetten, burgerbegrotingen en het recht van burgerinitiatieven op (ambtelijke) ondersteuning.

Ook hier loopt het Verenigd Koninkrijk op ons voor. Daar gaf de conservatieve regering-Cameron (in een in 2011 van kracht geworden wet, de Localism Act) communities een drietal rechten. Ten eerste is dat het right to challenge – het recht om een publiek gebouw of een publieke dienst over te nemen als (georganiseerde) burgers kunnen aantonen dat ze het zelf beter kunnen doen. Ten tweede het right to bid – het recht om de verkoop van een gebouw of stuk land dat een aannemelijk publiek belang vertegenwoordigt op te schorten om een bewonerscollectief de mogelijkheid te bieden om te onderzoeken of het niet zelf tot aankoop kan overgaan. En ten derde het right to build – het recht om in eigen beheer publieke voorzieningen te laten bouwen. Deze rechten zijn bedoeld om het eigenaarschap van het publieke domein deels te verplaatsen van overheden, instituties en grote organisaties naar verbanden van lokaal georganiseerde burgers.

De afgelopen decennia heeft in ons land de overheid juist steeds een monopolie op de publieke zaak veroverd. Dat monopolie past niet meer in een lokale politieke arena die zich meer laat leiden door de kracht van burgers. Veel publieke taken kunnen immers net zo goed – soms zelfs beter – door organisaties van burgers of sociale ondernemers worden uitgevoerd. Het zal de komende jaren voor gemeenten de kunst worden om de kracht van de samenleving en de ambities van de lokale politiek bij elkaar te brengen. Anders gezegd: moderne lokale politiek zoekt burgerkracht bij haar ambities. Dat vereist van de politiek mobilisatievermogen. Daarover zouden het politieke debat en de collegeakkoorden moeten gaan: op welke acties, welke vormen van publieke organisatie zet de lokale politiek een premie? Welke initiatieven willen we uitlokken? Waarvoor willen we de creativiteit van burgers mobiliseren? Welke initiatieven wil de lokale politiek groter maken omdat ze een breder publiek doel dichterbij brengen?

Burgerinitiatieven functioneren vaak pas als er een bepaalde kritische massa is bereikt. De lokale overheid kan helpen om die tot stand te brengen. Neem een carpoolwebsite als Toogethr.com. In potentie is dit een alternatieve infrastructuur, naast het openbaar vervoer en de eigen auto. Buitengewoon nuttig, maar die functioneert alleen als mensen die ’s ochtends met iemand meerijden ook weer een lift terug krijgen op het tijdstip dat zij dat willen. Daarvoor is volume nodig. Omdat elke bemiddelde rit helpt om de drukte op de weg te verminderen, heeft de overheid er belang bij om de bemiddeling te steunen. Door bijvoorbeeld vijf jaar lang voor elke bemiddelde rit een euro te betalen, maakt de overheid het voor ondernemers aantrekkelijk om te investeren in deze alternatieve infrastructuur. Een gemeente kan een zorgcoöperatie een zetje in de rug geven met een eenmalige investeringsbijdrage zodra meer dan twintig procent van de buurtbewoners zich heeft aangesloten. Gemeenten kunnen microkredieten beschikbaar stellen voor kleine ondernemingen die publieke doelen realiseren. Met premies op publieke actie is de lokale politiek nadrukkelijk aan het woord zonder de publieke zaak te monopoliseren. Dat is goedkoper dan het lijkt, juist omdat het optimaal gebruik maakt van de overvloed aan burgerkracht.

***

Gemeenten moeten bovendien zaken aanpakken die Den Haag niet voor elkaar heeft gekregen. Of sterker: die onder de voogdij van Den Haag verstrikt zijn geraakt in een web van tegenstrijdigheden en perverse prikkels. De verkokerde financiering van de verzorgingsstaat heeft ertoe geleid dat veel instellingen op het sociale domein langs elkaar heen werken en steeds bureaucratischer zijn geworden. De samenloop van de drie decentralisaties en de opleving van de doe-het-zelfsamenleving opent in principe de mogelijkheid om het sociale domein meer integraal en politiek te sturen. De lokale overheid krijgt immers meer zeggenschap over de (schaarse) collectieve financiering op een breed terrein en kan de kracht van burgers, netwerken, wijken en sociaal ondernemers benutten. Dat vergt een nieuw type organisaties die zich niet noodgedwongen profileren op zorgverstrekkingen en welzijnsproducten, maar zich dienstbaar opstellen bij de organisatie van het dagelijks leven, bekommernis en ondersteuning.

Den Haag wordt steeds meer een abstractie, het stadhuis steeds meer een hub voor sociale en politieke innovatie

Het zal de kunst zijn om professionele dienstverlening te integreren in slimme netwerken op (sub)lokaal niveau. Hier ligt een kans om de menselijke maat daadwerkelijk weer als leidraad te nemen voor de organisatie van het sociale domein. Cruciaal daarbij is dat burgers in die netwerken op alle niveaus de sturende rol krijgen die hen toekomt: van het niveau van straat en spreekkamer tot het niveau van de strategische aansturing. De afgelopen jaren werden wijkbudgetten vooral besteed aan leefbaarheid en de inrichting van de openbare ruimte. Maar heel goed denkbaar is dat wijkbewoners ook een stem krijgen in de besteding van professionele sociale budgetten in de wijk, bijvoorbeeld bij de inzet van sociale wijkteams. Wijkcoöperaties en bewonersbedrijven kunnen daarin – als opdrachtgever, als toezichthouder – een spil vormen. De lokale politiek kan op die manier ontsnappen aan de rol van amechtige toezichthouder op een technocratisch en verkokerd systeem. Ze krijgt veeleer de rol van aanjager van politieke deliberatie op lokaal niveau.

Dat ruimte geven aan burgerkracht de kern vormt van de noodzakelijke vernieuwing van de lokale politieke structuren betekent niet dat de lokale politiek achterover kan gaan leunen. Een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid blijft immers het spannen van een sociaal vangnet. Goed opgeleide en mondige burgers zullen immers gemakkelijker initiatieven nemen en daar meer dan gemiddeld de vruchten van plukken. Dat kan ertoe leiden dat laagopgeleide en minder mondige burgers tussen wal en schip raken. Daar ligt een taak voor lokale overheden. Kan iedereen meedoen? Wordt er niemand uitgesloten? Waar is een bezemwagen, een vangnet nodig? Nu gemeenten met de omvorming van de Wet werk en bijstand tot de Participatiewet de totale verantwoordelijkheid krijgen voor alle vormen van inkomensondersteuning en arbeidsreïntegratie kan zij niet anders dan die verantwoordelijkheid delen met de sterke krachten in haar midden. Ze doet er goed aan om groepen in de lokale gemeenschap een podium te bieden waar die hun betrokkenheid kunnen invullen.

Verschillende gemeenten hebben bijvoorbeeld een ‘Pact tegen armoede’ gesloten, een lokaal netwerk van bedrijven en maatschappelijke organisaties in de strijd tegen armoede. Deze partijen nemen samen nieuwe initiatieven op of steunen bestaande. Een mooi voorbeeld is Almelo, waar in 2009 op initiatief van gemeente en corporatie vijftien organisaties hun handtekening zetten onder het ‘Armoedepact’. De meeste waren instellingen voor zorg en welzijn, maar ook de Stadsbank en de zorgverzekeraar waren erbij. Intussen is het pact uitgegroeid tot een netwerk van 28 organisaties en bijna 150 bedrijven. De gemeente is een van de partners en bepaald niet de baas. Maar ook in Amsterdam is zo’n pact. Medewerkers van organisatieadviesbureau bmc trainen er vrijwilligers van de Voedselbank in het ‘omgaan met lastig gedrag’. Bedrijven zorgen ervoor dat maatschappelijke organisaties hun afgeschreven meubilair kunnen gebruiken. Kantorencomplex Zuidpark biedt werk aan jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt. De Rabobank ‘support’ een basisschool en geeft de leerlingen onderwijs op het gebied van financiën, cultuur en voedsel. Ook andere gemeenten kennen zulke samenwerkingsverbanden die zich inzetten voor mensen aan de onderkant van de samenleving die de eindjes niet meer aan elkaar kunnen knopen.

***

Zo bezien zaaien de decentralisaties ondanks hun paradoxen uiteindelijk ook de kiemen voor lokale vernieuwing. Die vraagt veel van de wijze waarop de overheid functioneert, meer dan alleen wat gesleutel aan het gemeentelijk apparaat of de vernieuwing van bestaande politieke processen en routines. Natuurlijk: zulke interne aanpassingen zijn broodnodig, maar belangrijker is een actieve heroriëntatie op de lokale democratie.

Steeds indringender klinkt de waarschuwing dat de gemeenteraad buitenspel is komen te staan, zowel ten opzichte van de drie grote decentralisaties (waar wethouders en ambtenaren het spel bepalen) als ten opzichte van de sociale doe-het-zelfsamenleving. De oplossing van het eerste probleem kan niet anders zijn dan het versterken van de invloed van de gekozen volksvertegenwoordiging op de decentralisaties: maximale openheid, markering van de belangrijke beslissingsmomenten. Vooral raden van kleinere gemeenten hebben hier nog een weg te gaan. Mogelijk moeten raden hier ook verplichtender gaan samenwerken in regionaal verband. Het opheffen van de andere buitenspelpositie – die ten opzichte van de sociale doe-het-zelfsamenleving – ligt voor een groot deel buiten de raadszaal: in de verbinding met de samenleving. Toch vergt ook die een vernieuwing van het politieke proces die van de gemeenteraad meer een democratische arena moet maken. Burgerbegrotingen en parlementaire instrumenten (zoals onderzoek en hoorzittingen) kunnen hier een belangrijke rol spelen.

Deze versterking van de lokale democratie en het opeisen van een grotere beleidsverantwoordelijkheid door gemeenten vormen de enige ontsnappingsroute uit de decentralisatieparadox waar Wim Derksen voor waarschuwde. Gemeenten zullen die route zelf moeten plannen en daarbij het vizier op de kracht en mogelijkheden van burgers moeten afstemmen. Dat is iets compleet anders dan alle eerdere pogingen om via experimenten bestuurlijke vernieuwing de veelbesproken kloof met de burger te dichten. Een lang leven was de meeste experimenten meestal niet beschoren. Het waren pogingen om burgers te mobiliseren voor de vraagstukken van het bestuur. Maar het gesternte is nu anders. Wat nu nodig is precies omgekeerd: we moeten de politiek betrekken bij de burgers. We moeten het besturen naar burgers brengen, in plaats van burgers naar het bestuur. Dat is een radicale modernisering van onze gemeentelijke democratie. Die zal voor de gemeenteraadsverkiezingen op 19 maart niet klaar zijn, maar is dit niet een mooi target voor de komende vier jaar?


De stad als sociaal laboratorium

Op Prinsjesdag werd van koningswege de participatiesamenleving geproclameerd. In werkelijkheid is het sociaal-politieke landschap in Nederland al veel langer ingrijpend aan het veranderen. Instituties kraken, burgers nemen op tal van terreinen het heft in handen, gemeenten zien door enorme decentralisaties de kans schoon zich te ontworstelen aan de starre Haagse voogdij. Dat maakt steden tot fascinerende sociale laboratoria, waar alles bij elkaar komt: de do it ourselves-beweging, nieuwe horizontale netwerkorganisaties, andere professionele aanpakken en lokale overheden die samenhangend beleid kunnen gaan maken van arbeid tot zorg. In die nieuwe dynamiek zouden de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart wel eens het begin van een nieuw tijdperk kunnen markeren. De afgelopen maanden verkenden Nico de Boer en Jos van der Lans voor De Groene Amsterdammer dit veranderende landschap. In dit slotessay onderzoeken ze de mogelijkheden van gemeenten om zich te ontworstelen aan de Haagse voogdij.


Debat in Spui25

Een decentrale staat – durft Nederland dat aan? Een staat van verschillen en lokale verzorgingssteden? Een land waar burgers de dienst uitmaken? Een natie waar de gemeenteraad belangrijker is dan het Binnenhof?

Aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen presenteren Nico de Boer en Jos van der Lans hun boek Decentraal: De stad als sociaal laboratorium, gebaseerd op de gelijknamige artikelenserie in De Groene Amsterdammer. Zij gaan onder leiding van Xandra Schutte in gesprek over decentralisaties, burgerkracht, lokale democratie en de toekomst van de verzorgingsstaat met: Jantine Kriens, directeur van de Vereniging Nederlandse Gemeenten en voormalig wethouder in Rotterdam; Maurice Specht, filosoof, bestuurskundige en actief op het gebied van bewonersparticipatie en stedelijke ontwikkelingsvraagstukken, initiatiefnemer van de Leeszaal West in Rotterdam.

10 maart 20.00 uur, Spui25, Spui 25-27, Amsterdam. Toegang gratis, maar reserveren verplicht: spui25.nl


Nico de Boer en Jos van der Lans zijn zelfstandige onderzoekers en publicisten. Begin maart verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact Decentraal: De stad als sociaal laboratorium, gebaseerd op de artikelen in De Groene Amsterdammer.