In therapie

Er was een probleem in de eh… relationele sfeer. Al best een tijdje eigenlijk. Een hardnekkige aangelegenheid waaraan het niet echt wende. Misschien werd het zelfs wel erger. Soms zit je ergens zo diep in, dat je het zicht verliest. Anderen zijn er dan om je uit je apathie te halen: je hóéft niet zo te leven. Al heeft het kennelijk iets schaamtevols om dat te erkennen. Ik dacht aan de vriend die de boel meester dacht te kunnen blijven door er een Gronings accent bij op te zetten. Hij ging er maar eens ‘’n therapeutj’ bij halen. Ik wist tot dan toe niet eens dat hij dat accent in huis had. Ik weet nog waar we liepen toen hij dat zei. Al die dingen die ik ben vergeten, maar ik hoor hem dit nog zeggen.

Ik lunchte met mijn collega toen ik opeens wist hoe een eerste hoofdstuk van een nieuw boek zou beginnen. Binnen anderhalve seconde schreef ik de ene na de andere bladzijde. Ik sluit niet uit dat de collega in zijn hoofd het perfecte derde hoofdstuk van zijn nieuwe boek aan het componeren was. Ondertussen maakten we gewoon conversatie – klimaat, haargroei, kinderen, ribfluweel, het kwam allemaal voorbij. Toen ik die avond naar een vriendin fietste, was ik het hoofdstuk kwijt. Des te hatelijker omdat ik de opgetogenheid erover nog wel voelde.

‘Denk terug’, zei de vriendin goeiig. ‘Waar zat je, wat at je?’

Het hielp allemaal niet, het was verdwenen, voorgoed de weg van de kroketten gegaan.

Een therapeutje dus. We hadden er al eens eerder een over de vloer gehad, te zweverig, te blij. Deze nieuwe had van tevoren een vragenlijst opgestuurd, waarvan het beantwoorden drie uur in beslag nam. Je werd ook geacht een tekening van de huiselijke situatie te maken, een plattegrond van de verschillende ruimtes waarin men zich kon ophouden, en als het mogelijk was filmpjes te maken van ‘confrontaties’, waar we dan tijdens de therapeutische sessie gezamenlijk naar konden kijken.

Ik wil de schrijver niet met nauwelijks ­bedwongen triomf horen hijgen achter zijn regels

Ik hou er wel van de spanning wat op te voeren in wat ik schrijf, maar op een plot kijk ik neer. Zo ben ik opgevoed. Ik hou niet van clous. Ik wil de schrijver niet met nauwelijks bedwongen triomf horen hijgen achter zijn regels. Ik ben meer van de suggestie dan van de concretisering, dit heeft me al heel vaak in moeilijkheden gebracht van eh… relationele aard. Voor een daverende ontknoping moet je niet bij mij zijn. Wel voor het eindeloze rondjes draaien, zuchten, twijfelen en terugkomen op eerder gedane woordloze beloftes.

Ook in afleidingsmanoeuvres ben ik goed. Al heb ik meteen het woedende hoofd van een vroeger vriendje voor ogen, dat er niet in trapte toen ik in horizontale stand nog eens het laatste nieuws op het gebied van kernenergie wilde bespreken. In zijn in eigen beheer uitgegeven memoires, twee dikke delen die hij me onlangs toestuurde, word ik opgevoerd als ‘het hersenmeisje M.P. dat zich verzette tegen het idee dat er altijd een chemische reaktie plaats lijkt te moeten vinden als leden van de beide seksen zich bij elkaar in bed bevinden’.

Hier dus maar alvast de clou: ik heb het over katten. Broer en zus. De eerdere therapie leidde tot weinig. Ja, meer kattenbakken in huis, grotere ook. Een extra tafel voor het raam, zodat ze allebei een uitkijkpost hadden. Voor je het weet ben je een kattenmens, is je huis een kattenfort. Met huisdieren is het net als met kinderen: je tolerantiegrens schuift langzaam op, verder en verder, tot je maar beter niemand meer thuis kunt uitnodigen.

‘Ik zal eerlijk tegen jullie zijn’, sprak de nieuwe therapeut aan de eettafel/uitkijkpost, nadat we de ronde door het huis hadden gehad en de homevideo van een shoot-out op de trap hadden bekeken. Een van ons had er de ijselijke Jóhann Jóhannsson-score van horrorfilm Mandy onder gezet. ‘Dit gaat heel moeilijk worden.’

We hoorden haar aan, vreemd boetvaardig. Als ze ons had gezegd dat we tienduizend euro moesten storten, voor drie weken de stad verlaten waarna we op kousenvoeten huiswaarts konden keren onder voorwaarde dat we nooit meer de frases ‘nee’, ‘niet doen’ en ‘hou op’ in de mond hoefden te nemen, dan hadden we blind getekend. Ik wel tenminste, hopend dat het leven in zekere zin kan worden afgehandeld.