INTERVIEW MET WILLEMIEN BRÜMMER

‘In verhalen kun je de dingen rechtzetten’

De achterkleindochter van de schrijver van het Zuid-Afrikaanse volkslied debuteert met een verhalenbundel. Het boek heeft haar dichter bij haar vader, ook een begenadigd verteller, gebracht.

‘Ons sal lewe, ons sal sterwe, ons vir jou Suid- Afrika’, dichtte C.J. Langenhoven in 1918. En nog steeds galmen nationalistische Afrikaners die woorden mee, rechtervuist op het hart. Voorzien van een meeslepende melodie werd Langenhovens epos Die Stem tussen 1957 en 1994 bejubeld en verguisd als het Zuid-Afrikaanse volkslied.
Cornelus Jacobus Langenhoven (1873-1923) is een fenomeen. Niet alleen schreef hij die heroïsche versregels van Die Stem, vol ossenwagens en verlaten vlaktes, hij was ook een onvermoeibare taalactivist, die eraan bijdroeg dat Afrikaans het Nederlands in 1925 verdrong als nationale taal. Daarnaast was Langenhoven een voorname schrijver, wiens oeuvre zich uitstrekt van poëzie tot spookverhalen. Tevens was hij een van de eerste medewerkers van het Kaapse dagblad Die Burger, later de spreekbuis van het apartheidsregime.
‘Ja, een icoon. Afrikaners zijn dol op hem, vooral om wat hij voor de taal heeft gedaan’, zegt Willemien Brümmer in een restaurant in Kaapstad over haar overgrootvader. ‘Ik ben ook erg in hem geïnteresseerd, maar om andere redenen. Mij gaat het om de familiegeschiedenis en Langenhovens donkere kant.’
Brümmer (1974) noemt Langenhoven een prachtig voorbeeld van iemand met een bipolaire stoornis: ‘Zijn patroon was dat hij een tijdje keihard werkte. Dan schreef hij in één manische ruk een heel boek. Hij sliep niet en goot sloten koffie naar binnen. Daarna stortte hij in. En dan begon het drinken. Hij dronk zo veel dat hij naar de slijterijen ging en zei: alstublief, een drankverbod voor Langenhoven. En wanneer hij naar Kaapstad kwam – hij was ook parlementslid – dan werd hij opgehaald door “die draers”, te dronken om te lopen.’
Dit jaar verscheen haar debuut Die dag toe ek my hare losgemaak het, een fraaie verzameling korte verhalen die het leven van Mia Ragel Albertijn aaneenrijgen tot een Bildungsroman. Een van de hoofdthema’s is de erfelijkheid van depressiviteit.
‘Zelf ben ik niet bipolair, maar een aantal mensen in mijn familie wel, met alle bijkomende problematiek. Vanaf het moment dat ik me dat realiseerde, besloot ik om niet te zeggen o, kom ek gooi my hande op in die lug en ook gek te worden. In plaats daarvan concentreerde ik me op de verhalenkant ervan. Voor een kind is dat aantrekkelijker dan de angstwekkende gedachte dat je geestelijk onstabiele voorvaderen hebt. Door het te fictionaliseren en terug te brengen tot een verhaal kun je er een positieve draai aan geven en dingen voor jezelf verklaren.’
Het andere thema is de helende kracht van vertellingen. Want verhalen houden de excentrieke familie Brümmer bijeen. Willemien groeide op in een groot, chaotisch huis in Kaapstad, met talloze kamers die waren volgestouwd met spullen die moeder had verzameld – ma die zich tot grote schrik van de buren bovendien over een groep bergies (drinkende zwervers, kleurlingen) ontfermde.
Pa, een wiskundige, was op zijn beurt net als de oude Langenhoven een begenadigd verteller. Als hij thuiskwam kroop kleine Willemien meteen op schoot van deze kleine man met zijn bril en baard voor een verhaaltje. ‘Mijn favorieten waren die die begonnen met: er was eens een aap die door de bomen zwierde en toen kwam hij bij…’
De apenverhalen hadden een hoog werkelijkheidsgehalte. Die zwierende aap verbeeldde pa Brümmer, de apenvrouw was ma, en de vier apenkinderen waren Willemien en haar broers. ‘In die apenverhalen was er altijd een probleem dat heel erg leek op een probleem in onze familie. En als het probleem erg groot was, dan moest mijn vader de hulp inroepen van – en je moet zijn naam heeeeel langzaam uitspreken – die ou man met die lang wit baard, zijn alter ego. Dankzij hem begreep ik dat je in verhalen dingen kunt rechtzetten die je in het echte leven niet kunt repareren.’
Als kind had de frêle Willemien haar eigen fantasiewereld geschapen. Ze verborg zich onder moeders rokken, zich verbeeldend dat ze een fee was. Ze verloor iets van haar verlegenheid dankzij toneellessen op school. Toen ze een jaar of dertien was kreeg ze een rol in The Glass Menagerie van Tennessee Williams. Ze speelde Laura, de kreupele, overgevoelige dochter, een buitenstaander die een groot deel van haar tijd doorbrengt met haar verzameling glazen beestjes.
‘Ik identificeerde me volledig met haar, omdat ik ook in mijn eigen wereld leefde en omdat ik ook onze familie als iets heel breekbaars ervoer. Ik meende dat mijn ouders glansden als opgewreven kristal. Je mocht ze niet te hard aanraken, want dan zouden ze breken. Vooral mijn vader. We waren allemaal glazen beestjes, ook ik.’
De familie drong aan op Willemiens schrijverschap. Het was oudejaarsavond 2002 en de Brümmers hielden een reünie op Langenhovens oude plaas bij Ladismith. Volgens goed familiegebruik moest iedereen elkaar iets toewensen. Voor Willemien kwam de wens dat ze een verhalenbundel zou schrijven.
Ze volgde een doctorale schrijfcursus aan de Universiteit van Kaapstad, waar ze werd begeleid door Etienne van Heerden. André Brink bemoeide zich tevens met het manuscript dat dit jaar als Die dag toe ek my hare losgemaak het verscheen. Het nieuws zong rond: Langenhovens achterkleinkind heeft een boek geschreven. De recensies waren unaniem lovend.
In haar bundel tast Brümmer de grenzen af tussen fictie en werkelijkheid. Herkenbaar zijn het kwetsbare meisje en de bipolaire vader. Aangrijpend is de angst van Mia voor die oncontroleerbare momenten van razernij of depressie waarmee de stoornissen gepaard gaan.
Het boek heeft Willemien dichter bij haar vader gebracht. ‘Verbazingwekkend hoe je in een verhaal kwesties kunt uitwerken die in het echte leven onbespreekbaar zijn’, zegt ze. ‘Mijn vaders manier van confrontatie was om ons een verhaal te vertellen. Dat is precies wat ik ook heb gedaan. Eigenlijk voeren wij middels verhalen een voortdurend familiegesprek.’