In Vertalië

‘Is dit grappig of juist niet grappig?’ Literatuurvertalers geven eigen interpretaties en hebben oog voor nuances. Ze hebben het lot van een schrijver in handen.

Medium nyc9290

Wanneer een schrijver een slechte dag heeft, kan hij of zij mompelen: ‘Maar ik hoef tenminste niet die idiote boeken van mij te vertalen!’ Ik ben dubbel zo dankbaar dat ik die idiote boeken van mij niet hoef te vertalen omdat ik besef dat ik soms een beetje een nachtmerrie ben voor mijn vertalers. Dat ‘soms’ neem ik terug. Ik ben altijd een beetje een nachtmerrie voor mijn vertalers. Ik maak woordspelingen (bijna onmogelijk om te vertalen) en grappen (moeilijk) en ik creëer ook neologismen, vooral op het gebied van genetisch gemanipuleerde soorten en consumentenproducten. Hoeveel beter zou de vertaler af zijn als ik me zou beperken tot een soort statig gestandaardiseerd Engels, met een nadruk op moorden. Boeken met een plot zijn het gemakkelijkst te vertalen, heb ik me laten vertellen, al zijn er ook daar valkuilen: de Franse vertalingen van de typisch Amerikaanse schrijver Raymond Chandler laten zijn Los Angeles-toon vreemd genoeg klinken als de achterbuurten van Parijs die door bijvoorbeeld inspecteur Maigret worden bewoond, al regent het in die laatste stad veelvuldig.

Maar wat is het alternatief, voor een vertaler? Wil je een naadloze vertaling die de lezer het gevoel geeft dat het boek in de doeltaal is geschreven? De volledig tweetalige schrijver Mavis Gallant heeft gezegd dat je een goede vertaling kunt herkennen door een passage eerst in de brontaal te lezen en daarna over te stappen op de doeltaal, en als je geen verschil merkt, is de vertaling uitstekend.

Of wil je sommige kleurrijke zinnen uit de brontaal behouden om aan te geven dat we met een heel andere cultuur en locatie te maken hebben? Nodigt Chingachgook je uit in zijn wigwam, of in zijn puntige tent? Doodt hij je met een tomahawk, of met een kleine handbijl geschikt voor het klieven van aanmaakhout? Vertaal je het Noorse gjetost of brunost als ‘vreselijk stinkende bruine gekaramelliseerde geitenkaas’ of gewoon als ‘bruine kaas’, of handhaaf je het origineel, voor de couleur locale? Het Ojibwe-woord orenda – zoals gebruikt in de gelijknamige roman van Joseph Boyden – vergt een hele alinea om uit te leggen. (Ruwweg: ‘Spirituele/magische macht die geacht wordt aanwezig te zijn in alle mensen en voorwerpen, maar het sterkst in sjamanen.’) Vertaal je dit woord in de roman, of handhaaf je het en neem je het op in een verklarende woordenlijst aan het eind?

Ik heb kortgeleden enkele weken in het Canadese Banff Centre doorgebracht tijdens hun jaarlijkse sessie voor literair vertalers. Vertalers worden daar gekoppeld aan de auteurs van de teksten waaraan ze werken. Mijn tweelingbroer was een zeer intelligente jongeman uit Egypte, die The Penelopiad in het Arabisch vertaalde. Hij had een lijst woorden voor me. ‘Is dit een oud woord, een nieuw woord, een slangwoord, een formeel woord of heeft u het zelf verzonnen?’ vroeg hij dan. Dat was allemaal van belang.

We worden allemaal taalloos geboren, al pikken we de materie razendsnel op. Er bestaat zelfs een universele taal die door alle baby’s begrepen wordt, al komen er geen woorden aan te pas. Het is een toontaal, sterk afhankelijk van hoogte en uitspraak. Een wuzzie wuzzie wuzzie woe! is heel wat anders dan een WUZZIE WUZZIE WUZZIE WOE! zoals elke baby op wie je dit uitprobeert je heel snel zal laten merken.

Maar zodra we eenmaal in de alfabetsoep belanden, brengen we een groot deel van onze kinderjaren door met vertalen. ‘Wat betekent dat? En dit hier? En dat daar?’ Sommigen van ons maken zich alle woorden die we nodig hebben al heel vroeg eigen, en staan er daarna niet al te vaak meer bij stil. Maar de woordenmensen weten van geen ophouden. Hier volgt mijn eigen bescheiden traject.

Ik heb mijn vroegste jeugd – die samenviel met de Tweede Wereldoorlog – doorgebracht in een afgelegen bosgebied ten noordwesten van Quebec. We waren daar in de lente, zomer en herfst, niet in een dorp of stad, maar midden tussen de bomen, beren, kriebelmuggen en futen. Transport verliep over water of pad. Er was geen elektriciteit, stromend water, school, winkel, theater, bioscoop of televisie. (Er was toen trouwens nog helemaal geen televisie.) Er was een rudimentaire radio, waarop we af en toe ofwel heel ver Frans konden horen – uit Quebec – ofwel, via de korte golf, vreemd genoeg Russisch. In de winter woonden we in de stad Ottawa, waar de ontvangst beter was, en wat we daar op de radio hoorden was onder andere dit: ‘Wieeooeee…. Bong bong bong bong; bong bong bong bong. Bong. Bong. Bong. Bong. Bong. Bong. This is London calling Noth Ammedddica. Hyah is the BBC news.’ Ongestelde kindervraag: waarom praten ze zo? En ook: wat is Londen? En nog moeilijker te beantwoorden: wat is de bbc?

Maar ook klonken over de radio dingen als: ‘Mairzy doats and dozy doats and liddle lamzy divey/ A kiddley divey too, wooden shoe?’ Wat was dát voor taal? kon de kinderluisteraar zich met recht afvragen. Net als overigens de volwassen luisteraar. Hoe vroeg in het leven begrijpen kinderen dat sommige woorden gewoon pure onzin zijn! Maar niet alleen de radio was een bron van woorden zonder duidelijke betekenis, de onsterfelijke Alice kon er ook wat van: ‘Twas brillig, and the slithy toves/ Did gyre and gimble in the wabe:/ All mimsy were the borogoves,/ And the mome raths outgrabe.’ Gelukkig voorzag de tekst in enige vertaling, ook al was de vertaler een ei. Maar wel een ei met de vastberadenheid van een vertaler.

‘Wanneer ík een woord gebruik’, zei Humpty Dumpty op nogal geringschattende toon, ‘betekent het precies wat ik wil dat het betekent – niets meer of minder.’

‘De vraag is’, zei Alice, ‘of je woorden zoveel verschillende dingen kúnt laten betekenen.’

De achterkanten van cornflakesdozen waren leerzaam, omdat ze tweetalig waren

‘De vraag is’, zei Humpty Dumpty, ‘wie de baas is – meer niet.’

Deze lezeres nam de les van Humpty Dumpty ter harte. ‘Wie is de baas?’ is een heel gerechtvaardigde vraag. Breid je als schrijver de betekenis van woorden uit, of ben je alleen maar hun instrument? Programmeert je eigen taal je als een computer, of hanteer je haar zoals Prospero zijn toverkunsten, en maakt het eigenlijk enig verschil? Toen Jean Piaget aan kleine kinderen vroeg met welk lichaamsdeel ze dachten, antwoordden ze: ‘Mijn mond.’ Is denken mogelijk zonder woorden? Bepalen woorden wat we kunnen denken, en zo ja, kunnen we in de ene taal dingen denken die zich niet in een andere laten uitdrukken? Laten de wervende teksten op ambachtelijke pakken zout uit Frankrijk zich met hetzelfde lyrische effect in een andere taal vertalen? ‘Terwijl de stralen van de heilzame zon rozerood boven de azuurblauwe zee uit piepen, oefent de oude zoutraper zijn eeuwenoude beroep uit op het door de wind gestreelde strand en kiest zorgvuldig elk verfijnd zoutkristal uit, overgoten met…’ Nee, ik denk het niet.

Terug naar de bossen ten noordwesten van Quebec. Inderdaad, in ons huis, of eigenlijk onze hut, was de taal Engels; maar overal om ons heen, zij het op enige afstand, hing de halfschaduw van het Frans. Dit was niet het Frans zoals dat door de Fransen wordt gebezigd, maar Quebecois, dat zijn eigen accent en vocabulaire heeft en doorspekt is met joual, een extreme vorm van spreektaal. Het Franse Frans hanteert heel andere krachttermen dan dat van Quebec, dat veel religieuze termen gebruikt. Laat je bijvoorbeeld iets op je voet vallen, dan zeg je Bâtème!, terwijl de Fransen Merde! zeggen. Wij woonden precies op de grens van Quebec en Ontario, dus in het dichtstbijzijnde stadje – niet ‘dichtstbijzijnd’ volgens Europese maatstaven, maar laten we zeggen in de laatste buitenpost voordat het bos begon – behielpen veel mensen zich met ‘Franglais’, een combinatietaal die door iedereen begrepen werd, al was ze wat beperkt. Een verzamelnaam als machine kon op elk gebruiksvoorwerp slaan, maar dus niet op mensen.

Er waren ook woorden die oorspronkelijk uit het Engels komen, zoals le scrinporch – naar het Engelse screen porch, de met gaas afgeschermde veranda die zo onontbeerlijk is in het land van de kriebelmug en de steekmug, en le backouse, naar het Engelse back house, de buitenplee die zo onontbeerlijk is als je geen sanitair hebt. Zo’n uitwisseling van woorden is begrijpelijk, want veel Engelse woorden waren oorspronkelijk Frans – Willem de Eerste was nu eenmaal wie hij was. Kortgeleden merkte iemand op dat de Engelse woorden voor landbouwhuisdieren meestal uit het Angelsaksisch stammen – cow, pig, sheep – terwijl de woorden voor de delen van het dier die worden opgegeten uit het Frans stammen – boeuf/beef, porc/pork, mouton/mutton. Waaruit je goed kunt afleiden wie van de landbouw was en wie van het lekkere eten, en wie wie overwon. Maar ik dwaal af.

Tot de eerste dingen die ik in dit noordelijke grensgebied las, behoorden Franse verkeersborden. Petite vitesse (Langzaam rijden) en Gardez La Droit (Rechts houden) op de smalle, steile wegen; en in het uit planken opgetrokken postkantoor: Défense de crâcher sur le plancher (Verboden op de vloer te spuwen). En overal waar de kans bestond dat twee of meer mensen zich verzamelden, stond op een koelkast geschreven: Buvez CocaCola. Glacé. (Drink CocaCola. IJskoud). De achterkanten van cornflakesdozen waren eveneens leerzaam, omdat ze tweetalig waren, en ik heb heel wat tijd doorgebracht met pogingen om ‘Hé, les enfants! Gagnez! (Hé, kinderen! Win!’) over te schrijven. De prijzen die je kon winnen door de deksels van de dozen te verzamelen waren in beide talen eender, maar in het Frans klonken ze aanlokkelijker. Zoals dat nu eenmaal gaat. Net als bij ambachtelijk zout.

Wat voor effecten had deze vroege niet-onderdompeling – ‘niet’ omdat er niemand was om iets voor me te vertalen – op mij? Het was voor mij een teken dat er op z’n minst één ander taaluniversum bestond, waarin dingen die ik niet begreep voor anderen vanzelfsprekend waren. Een van de motieven om te gaan schrijven is ongetwijfeld dat de schrijver zelf op zoek is naar de antwoorden op diverse raadsels die door het schrijven misschien zullen worden opgehelderd. Wanneer de schrijver niet verrast wordt, valt er voor de lezer minder te genieten. Daar geloof ik tenminste heilig in, wat een van de redenen is waarom ik nooit van tevoren een opzet maak. De andere reden daarvoor is mijn geestelijke desorganisatie.

Ik kon al vroeg lezen, want er viel weinig anders te doen wanneer het regende. Gelukkig waren er een heleboel boeken in onze kleine woning, al waren daar weinig kinderboeken bij. Maar het lezersbloed kruipt waar het niet gaan kan, dus las ik op veel te jonge leeftijd allerhande bloederige detectives. Handige waarschuwing: pas op voor blondines in rode nachtjapon: ze hebben ofwel een pistool in hun handtasje of ze trekken moordenaars aan als vliegen, en je kunt beter niet in de vuurlinie belanden.

Maar Franse cornflakesdozen en bloederige detectives waren niet het enige wat ontcijfering mijnerzijds behoefde. Er waren ook de stripverhalen, die op dat moment hun hoogtepunt beleefden. De personages daarin zeiden H’aint in plaats van He ain’t, zoals boerenpummels, of Vot’s up? in plaats van What’s up?, met een Duitsachtig accent; en nog heel wat rare dingen meer. Veel krachttermen waren in leestekens vervat: je werd geacht de term zelf in te vullen. Maar in ons gezin werden geen krachttermen gebruikt – in het ergste geval bezondigde mijn moeder zich aan even onschuldige als onbegrijpelijke uitdrukkingen als Dad-ratted of She gave him Hail Columbia – zodat ik de krachttermen wel op de strippagina kon zien staan, maar ze niet kon horen. Tegenwoordig is een krachttermenvocabulaire onmisbaar voor een vertaler, omdat ze in de moderne literatuur zo veelvuldig worden gebruikt, maar dat was toen niet het geval. (Maar al waren krachttermen verboden, de pagina’s wemelden van de grappen die tegenwoordig als racistisch of vrouwonvriendelijk zouden worden beschouwd, en niemand die er aanstoot aan nam.)

Dan was er seks. Lady Chatterly’s Lover was in de Verenigde Staten tot 1959 verboden; en in Canada tot 1960. Tot het keerpunt van die gerechtelijke beslissingen bedreven mensen de liefde door middel van asterisken. ‘En toen waren ze één, puntje puntje puntje’, stond er in die tijd. ‘Ze is gewurgd, maar niet in haar eer aangetast’, luidde een intrigerend kranteneufemisme. ‘Mam, wat betekent dit?’ ‘Ik ben bezig, vraag het me later maar.’ Toen ik in een krant voor het eerst de term child molester, kinderlokker, las, dacht ik dat er child mole-ster stond en dat het om een baantje voor kinderen ging die betaald zouden krijgen voor het vangen van moles, mollen. Dit is niet zo idioot als het klinkt: ik had ook mensen wormen zien vangen.

Andere bronnen van raadselachtig woordgebruik waren de toenmalige sciencefictionblaadjes. Het was nog de tijd van buitenaardse monsters met insectenogen, dus deze verhalen bevatten vele talen waarin het wemelde van de Q’s, X’en en Y’s, letters met een hoge scrabblewaarde. Mijn oudere broertje en ik werden aldus vlotte bedenkers van bizarre namen voor de buitenaardse wezens die we zo graag in onze zelfgemaakte boekjes stopten. Handige hint: ga niet wandelen op Neptunus. Alles daar, dier of plant of combinatie, bevat een Q, een X of een Y en is dodelijk.

De eerste keer dat ik in Frankrijk kwam kon ik geen koffie bestellen; die woorden kwamen niet voor bij Racine

Op die manier al voorgeprogrammeerd, als het ware, met verbaal roerei, en bijgevolg niet erg goed toegerust om later in het leven een munter van neologismen te worden, ging ik mijn puberjaren in. Het taalonderwijs was toen nog gebrekkig. Er waren geen talenpracticums – alles ging schriftelijk – en we hadden geen toegang tot vocabulaires op het gebied van krachttermen of seks. Hoeveel interessanter zou Frans niet zijn geweest met een paar goedgekozen passages uit Madame Bovary, of Latijn met een proeve van de meest scabreuze epigrammen van Martialis! Maar het mocht niet zo zijn. Caesar dreunde maar door met zichzelf in de derde persoon, veroverde het een, wierp het ander omver, terwijl wij armen tekenden aan de Venus van Milo in het lesboek; en tijdens de Franse les lag de pen van mijn tante onontkoombaar op het bureau van mijn oom, in de verleden tijd, de voltooid verleden tijd en de voltooid toekomende tijd.

We kregen Latijn van een indiaan uit Trinidad en Frans van een vrouw uit Polen. (Dit was na de oorlog.) Duits werd tijdens de middagpauze gegeven door een warrige Bulgaarse; terwijl wij onze boterhammetjes met kaas oppeuzelden, weidde de arme vrouw lyrisch uit over de dativus. Daarna ging het richting universiteit, waar het Angelsaksisch en Middel-Engels werden toegevoegd aan de lijst van dingen die door mij moesten worden vertaald. Wat voor praktisch nut hadden de talen die ik toen leerde? Een klein beetje, al merkte ik de eerste keer dat ik in Frankrijk kwam dat ik noch koffie kon bestellen noch vragen waar de wc was, want die woorden kwamen niet voor bij Racine.

Kort daarna – kort op de geologische tijdschaal – werden boeken die ik zelf had geschreven in andere talen vertaald. Een van de eerste uitgeverijen die zich daaraan waagden was Grasset in Frankrijk, waarna er ruzie uitbrak over de Franse kant van de zaak en de Quebecois-kant. Mijn boek speelde in de bossen ten noordwesten van Quebec waarover ik het eerder heb gehad, dus de keus voor plaatselijke woorden was een kwestie van trots voor de distributeur in Quebec. ‘Dit moet niet zo Frans worden’, zei hij. ‘Abitibi is niet het Bois de Boulogne.’ Maar over de alternatieve zinnen die hij opperde, zeiden de Fransen: ‘Mais… ce n’est pas français!’ Precies wat mijn Poolse lerares Frans op de middelbare school over mijn opstellen zei. Zo gaan die dingen.

Ik heb in de loop der jaren heel wat avonturen met vertalers beleefd. ‘Is dit grappig, of is het niet grappig?’ is me gevraagd. ‘Allebei’ valt moeilijk uit te leggen. ‘Ah, Angelsaksische humor!’ heb ik ze dan wel horen zeggen; waarmee ze ‘macabere humor’ bedoelden, denk ik. ‘Wat is granola?’ vroeg mijn eerste Chinese vertaler. ‘Wat is een Smile Button?’ En als ze niet wisten wat granola was, wat wisten ze dan misschien nog meer niet, zonder te weten dat ze het niet wisten?

Het zou spannend zijn om in de toekomstige wereld van Ursula K. LeGuin te leven, waar een apparaat onmiddellijk alles voor je vertaalt terwijl je van melkweg naar melkweg zwerft en onvermoede talen leert evenals gloednieuwe manieren om de werkelijkheid te ervaren. Een taal die zwaar op zelfstandige naamwoorden leunt, zoals het Engels, heeft moeite met talen die meer naar gerundia neigen. Leven we in een wereld van vaste voorwerpen, of in een wereld die in ontwikkeling is? Wat denk je? Of liever, hoe zeg je het?

Maar wij zijn hier, op deze aarde. Wij hebben geen apparaten, maar levende vertalers. Des te beter: want die hebben, anders dan machines, oog voor nuances, en ze kunnen eigen interpretaties geven. Ik heb in de loop der jaren het voorrecht gehad met enkele uitstekende vertalers te werken: zelfs voor mijzelf heeft mijn werk andere dimensies gekregen wanneer ik het door hun ogen zag en door hun oren hoorde.

Dus dank aan de vertalers. Als schrijvers leggen we ons lot in jullie handen. Voor ons lezers openen jullie deuren die anders gesloten zouden blijven, en laten jullie stemmen klinken die we anders niet zouden kunnen horen. Net als het schrijven zelf berust jullie werk op een geloof in de mogelijkheid van menselijke communicatie. Dat is geen geringe verwachting. Merci bien. Tak. A sheynem dank. Arigatu Gozaimas. Muchas gracias. Vielen Dank. Megwich. Grazie. En in het Inuit: Na-qur-miik.

Vertalersgeluktournee

Lezers en literatuurliefhebbers gaan tijdens de Vertalersgeluktournee 2014 in gesprek met vertalers over hun vak. Welke keuzes maken zij? Wat maakt literatuur vertalen zo bijzonder? Van 8 april tot 22 mei vindt in elf boekhandels in heel het land een avondprogramma plaats.

Meer informatie hier.


Dit is een verkorte versie van de jaarlijkse Sebald-lezing die de Canadese schrijfster Margaret Atwood uitsprak op 18 februari. Deze lezingen over een vertaalonderwerp worden georganiseerd door het British Centre for Literary Translation ter nagedachtenis aan zijn oprichter, de in 2001 overleden schrijver W.G. Sebald

Vertaling: Peter Bergsma

Beeld: Tweetaligheid in Quebec, Canada (Alex Webb/Magnum/HH).