In Volendam

Volendam. Achttien kilometer van Amsterdam. Ik moet hier zijn om een filmscène bij te wonen. Het duurt en duurt. Ik loop daarom maar eens door het dorp.

Ik weet niet hoe ik erover denken moet, denk ik opeens.

Medium opheffer baskohler wk26

De zin formuleer ik bijna hardop.

Waarover weet ik niet hoe ik denken moet? Het heeft niets met Volendam te maken, of toch wel. Ik dacht aan Europa. Is het mijn ouderdom, is het mijn wantrouwen tegen overheden, is het mijn gebrek aan intelligentie? Geen idee, en dat baart me zorgen. Ik weet niet langs welke lijnen ik moet redeneren als ik het over Europa heb.

Dat ik die twijfel gewaar word, heeft te maken met Volendam.

Zo dicht bij Amsterdam, en zo vreemd van mij. Achttien kilometer kan een grotere afstand zijn dan zevenduizend, want zet mij in New York en ik ben thuis. Dat heb ik ook met Parijs, Londen, Rome, Wenen, Moskou, Barcelona. Volendam – ik wil niet onbeleefd zijn, en ik schrijf het ook met enige schroom – is voor mij een dorp om zo snel mogelijk uit te vertrekken, terwijl ik het er nota bene mooi en lieflijk vind.

Ik ben geen Volendammer.

Ik ben ook geen Europeaan.

Ik ben ook geen wereldburger.

Zo ik iets ben, ben ik Amsterdammer. Maar ik weet ook dat zulk chauvinisme een kritische kijk op een probleem als ‘Europa’ vertroebelt.

Maar hoe moet ik er dan tegenaan kijken?

Als ik op een terras zit dat uitkijkt over het haventje belt mijn dochter mij. Ze is verontwaardigd over een stukje dat ik in Het Parool heb geschreven over kapitein Westerling en de ­politionele acties in Indonesië. Zij is daar min of meer op afgestudeerd. Ze zegt dat ik me wel iets beter in de materie had mogen verdiepen. Ze kan zich niet voorstellen wat ik had geschreven, namelijk dat mijn vader (haar opa) die assistent-resident was, een oud-koloniaal, in every inch een Nederlander, een militair ook nog, Westerling ‘een oorlogsmisdadiger’ zou hebben genoemd. Toch was dat zo. Ofschoon mijn vader de politionele acties rechtvaardigde, zag hij wel degelijk dat er iets verschrikkelijks gebeurde toen er hele kampongs werden geliquideerd. ‘Maar ja, de Indonesiërs deden dat ook’, was weliswaar een zin die hij eveneens uitsprak, maar hij vond, hoe dan ook, de massale executies ‘misdadig’. Ik praat er met mijn dochter over, terwijl ik Jantjes Smits en Mona’s Keijzers voorbij zie lopen, leuke, zelfs mooie meisjes en jongens die de hoop van de toekomst moeten zijn. Mijn dochter zegt dat ik me wat meer moet verdiepen in de geschiedenis van Indonesië. Ze zal me vanavond een boek van ene Van den Doel komen brengen.

‘Voel jij je Europeaan?’ vraag ik dan.

‘Wel als ik in Amerika ben.’

Ik hang op. Ik voel me altijd al, vanaf mijn vroegste jeugd, een Amerikaan. Toen een cowboy, en dat ben ik nu nog steeds. Ik zit op een paard, a long way from home, en sjok naar de ondergang van het Avondland. Ik vroeg me af: als ik geen columns hoefde te schrijven, geen radioprogramma’s hoefde te presenteren, als ik geen films zou maken, hoe zou ik dan tegen Europa en de euro aankijken? Ik weet het niet. De acteurs op de filmset zijn ‘voor Europa’ maar om redenen die ik liever niet herhaal. (Eentje dan: ‘Denk maar niet dat Fransen en Italianen net zo erg op de kunst bezuinigen als wij. Daar houden ze van kunst.’)

De economie, de democratie, de natiestaat – ik ben bereid alles op te geven voor wat vrede en rust. Maar hoeveel? Ik wil zo veel mogelijk ‘vrij’ zijn, en het lijkt mij verstandig als anderen dat ook zouden willen.

Maar wie wil dat echt?